Psalm 44: Je kinderen van God vertellen, het eerlijke verhaal

 

Wat maakt het voor velen zo moeilijk om te geloven? Moeilijker dan het voor oudere generaties was.

Ouderen zijn opgegroeid in een tijd waarin geloven vanzelfsprekender was. Ook leefde je min of meer afgeschermd in je eigen wereld. Geloofsopvoeding was vooral het overdragen van de leer. De nadruk lag op kennis, op de zekerheden.

Die veilige wereld bestaat niet meer. Jongeren groeien op in een wereld vol geloven en overtuigingen. Ze leven in een netwerksamenleving, een internetwereld. Zekerheid vinden, weten wat waar is, is een zoektocht. Van weters zijn we zoekers geworden. Hoe kun je je toch aan God overgeven? In Psalm 44 zie je ook die strijd, misschien herkennen we ons er in. We lopen door deze psalm heen, in vier stappen.

1. God is goed en trouw, kijk naar hoe hij ons bevrijdde (vers 1-9).
2. Maar waarom dan al die ellende, pijn en verdriet (vers 10-17)?
3. Hoe kan dat als je goed leeft en God liefhebt (vers 18-23)?
4. Het antwoord is niet makkelijk: verlaat God of bid om zijn genade (24-27).

1. God is goed en trouw, kijk naar hoe hij ons bevrijdde (vers 1-9).

De intense worsteling begint in deze psalm bij het geloof. De Israëlieten herhaalden en herhaalden hun geschiedenis. Dat God goed is, hebben we met eigen oren gehoord. Onze vaders en moeders hebben het doorgegeven. Wat zij ook weer van hun ouders hadden gehoord. Zo vertelden ze het verhaal, ze vertelden het door, van generatie op generatie.

Wat geef je je kinderen door? Wat je ze echt leert, is wat je ze onbewust meegeeft, wat je uitstraalt. Is dat de angst, of ze het geloof wel of niet zullen overnemen? Of is dat jouw eigen geloofsvreugde, dat jij echt leeft uit de liefde van God? Die vraag stel ik mezelf ook: laat ik mijn kinderen mijn geloof zien? Of vooral mijn spanningen om de kerk, mijn frustraties?

We hechten heel veel waarde aan het overdragen van kennis. Maar wat we echt overdragen is: zorgelijkheid, spanning. En zo komt er heel veel druk op je kinderen te liggen, kinderen voelen dat. Opvoeding is dan omgeven met een waas van spanning.

De Israëlieten herhalen het verhaal van de uittocht, hun bevrijding. Maar: niet zonder meer, twee dingen vallen op. Allereerst de nadruk op het feit dat God het is, die hen bevrijdde. Dat wij mensen daar helemaal niet aan te pas komen. Gód verjoeg de volken van Kanaän, hij maakte ruimte voor zijn volk. Dat geeft je verhaal iets van intense verwondering. Wat een wonder dat ik bij God mag horen, wat een genade! Dat is op geen enkele manier mijn eigen verdienste! Het is een cadeau, een Godsgeschenk! Dat is verbond: God die naar mij toe komt, ik begrijp het nog steeds niet.

En dat brengt je als mens tot pure lofprijzing, het tweede in deze geloofsopvoeding. God, wij loven u dag na dag, uw naam zullen wij altijd prijzen! Wat doen wij vaak: klagen, mopperen, op de kerk, de kerkmensen. En die kleine potjes met grote oren aan jouw tafel slaan dát nu juist op. Maar onze blijdschap in God delen? Dat is geen kennisoverdracht, het is wel laten zien dat jouw geloof echt is. Daar kunnen kinderen iets mee, dat geeft ze moed: volwassenen die echt en oprecht geloven. God, God alleen bevrijdde zijn volk: voor Israël hét bewijs van Gods liefde. Gods volk mogen ze zijn, zonder dat ze er zelf iets voor hoefden te doen.

Precies hetzelfde geloven wij: Jezus Christus gaf zijn leven, hij gaf ons een nieuw leven. Wat een genade! Prijs hem!

 

2. Maar waarom dan al die ellende, pijn en verdriet (vers 10-17)?

Ook dit lied lijkt gedicht te zijn rond Israëls ballingschap (opm.: hiervóór hield ik 2 preken over Psalm 48 en 87). Zie de verzen 10-17: Toch hebt u ons verstoten (..), onze haters roofden ons leeg. U hebt ons als slachtvee uitgeleverd, ons onder vreemde volken verstrooid.

Heel de vertwijfelde strijd van deze psalm komt samen in dat ene woordje: toch. We begonnen bij die verwondering, dat hij de redder van je leven is. Maar juist dan is de tegenstelling zo groot met wat je soms meemaakt in je leven. Als God zo goed is en zo trouw, waar zie ik dat dan aan? En hoe zie ik dat, als het allemaal mis gaat en ik alleen maar ellende mee maak? Hoe kan ik dat rijmen met wat er allemaal in de wereld gebeurt? Kijk naar het nieuws: wat een ellende schreeuwt er van het tv-scherm! God goed en trouw? Ja, maar hoe zie ik dat?

De Israëlieten herhaalden hun geschiedenis, het verhaal van hun bevrijding uit Egypte. Toch, zagen we, is geloofsopvoeding meer dan puur een geschiedenisles of het overdragen van kennis. Het is een verhaal dat je vertelt vanuit je hart: met verwondering, lofprijzing. Zo wordt het een eerlijk verhaal: zodat ook je eigen twijfels en vragen aan de orde komen. Anders wordt het overdragen van waarheden één grote leugen. Als je alleen de feiten zou vertellen, lok je cynisme uit. Dan kunnen je kinderen gaan denken: allemaal waar, maar geloof je het zelf? Kinderen moeten bij jou de ruimte voelen voor hun eigen twijfels en zoeken.

Daarin is opvoeding in het verleden soms tekort geschoten. Nadruk op de leer drukte vaak de vragen weg. Wie die toch hardop stelde, kreeg al gauw kant en klare antwoorden over zich heen. Bijbelteksten en geloofswaarheden verstomden en verstopten het gesprek. Dan hou je je twijfels voortaan wel voor je.

In Psalm 44 krijgen de vragen alle ruimte. Je proeft die intense worsteling: “als er een God is, waarom dan al die pijn, dat verdriet?!” Het is zo moeilijk, zo’n aanval op je geloof: God die goed is, die dit allemaal laat gebeuren. Soms gaat er zoveel mis, in de wereld, in je eigen leven, dan kun je niet om die vraag heen. Je proeft die vertwijfeling: heeft God ons nu toch verlaten? Staan we er nu alleen voor, mikpunt van de spot en vijandigheid van de mensen om ons heen? Hoe kan dat, waar is God dan: met zijn trouw, de bescherming die hij belooft?

3. Hoe kan dat als je goed leeft en God liefhebt (vers 18-23)?

En nog dieper wordt die twijfel. In de volgende verzen stelt deze gelovige de vraag: wat heeft het dan voor zin als ik geloof? Wat heeft het voor zin als ik God dien en eer en gehoorzaam? Wat ik allemaal mee maak, waar heb ik dat aan verdiend? Als ik goed leef, als ik God liefheb, als ik geloof en bid, en naar de kerk ga?

God heeft ons verlaten, zegt de dichter, maar wij zijn u niet vergeten, ons hart keerde zich niet van u af (…). Toch (wéér dat ‘toch’!) hebt u ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. Als we ons nu van God hadden afgekeerd naar andere goden, maar ook dat deden we niet (vers 21).

Je kunt je voorstellen dat dit de klacht was van mensen die trouw gebleven waren. Toen de ballingschap kwam om de afgoderij van het volk, waren er ook oprechte gelovigen. En terwijl zij God oprecht dienden, kregen ook zij de straf van God over het héle volk. Vandaar dat ‘toch’: en toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.

Dezelfde woorden die ook Paulus aanhaalt in Rom. 8. Als hij beschrijft hoe sterfelijk wij zijn, en hoe we lijden onder de vloek over Gods schepping. Krijg je dat gevoel niet soms inderdaad: dat mensen als vee worden afgeslacht? Wat een massa’s onschuldigen worden er niet elke dag gedood! Tellen mensenlevens niet voor God? Zijn al die mensen voor hem soms niet meer dan afval, vlees dat verteert? En ook in je eigen leven: waarom toch dit alles, waar hebben we het aan verdiend?! Dat is de klacht, de schreeuw van deze psalm.

4. Het antwoord is niet makkelijk: verlaat God of bid om zijn genade (24-27).

Komt er een antwoord op deze indringende vragen? Hier vinden we geen antwoord, wel wordt ons een keus voorgehouden. De psalm loopt uit op een schreeuw naar de hemel: Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig. Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood?

Ja, misschien schrik je hiervan, van zo’n klacht, zo’n aanklacht haast. Kun je, mág je dit zo maar roepen tegen God, de Allerhoogste? Maar de Bijbel, Gods eigen Woord, gaat ons voor! Hier zie een stukje van het wonder van de Bijbel. Mensenwoorden, zelfs mensenklachten, toch Gods Woord, door de Geest geademd.

Wat is de boodschap daarvan? Wat anders dan dat God onze klachten begrijpt, ja tot de zijne maakt! Zijn eigen Zoon zelf schreeuwde het uit: mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?! Daarmee staat hij naast ons, in onze nood en wanhoop. Juist dat geeft zo’n onvoorstelbaar houvast.

Ik begon met de vraag: hoe kun je ooit gaan geloven, als je al die ellende ziet? Hoe kun je van God leren houden, als je zelf verdriet en pijn meemaakt? Wat kun je dan doen, hoe reageer je?

Je kunt opstandig worden, boos op God. Maar als je daar in blijft hangen, is de volgende stap: met zo’n God wil ik niets te maken hebben. En nog een stap verder en je zegt: er is geen God. Dat is wel de route die vandaag duizenden al hebben afgelegd. Ze braken met het geloof, verbitterd en misschien opgelucht.

Je kunt ook anders reageren, dat gebeurt in deze psalm. Er komt geen antwoord op die vraag, hoe dat zit en het waarom dat is: een goede God en toch al dat leed. Nee, het enige wat deze gelovige tenslotte doet, is een nederig gebed, een roep om hulp. Je kunt geen kant meer op, klein en machteloos ben je. Je vlucht, in Gods armen. Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde. Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw.

Maar wat daarin wel doorklinkt en waar hij al strijdend houvast vind, is: Gods trouw! Ergens, diep onder in de put, daar op de bodem, weet je: toch is hij trouw. Weer dat ‘toch’, nu als woord van hoop. In die vertwijfelde geloofsvragen is er tenslotte maar één keus. Of je verlaat God, definitief. Of je valt voor hem op de knieën, klein maar vol hoop. En dan ga je het zien: “wie op hem bouwt zal niet beschaamd uit komen.”

Amen.

 

Wordversie en PowerPoint klik hieronder:

Psalm 44 Psalm 44

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *