Genesis 21, 6-7

Bent u/ben jij een opgeruimd iemand? Sommigen gaan lachend door het leven, ze zien alles van de zonnige kant. Is dat een kwestie van karakter, hoe je in elkaar zit? Of heeft het te maken met je geloof? Ben je als gelovige een opgeruimd mens, omdat Jezus je zonden voor je heeft opgeruimd? Je zou willen dat het zo eenvoudig was. Maar soms valt er nu eenmaal weinig te lachen, dan staat het huilen je nader dan het lachen. In de tenten in Mamré, daar werd wat afgelachen!

1. Op heel verschillende manieren. De HEER maakt je aan het lachen: Sara’s lach: 1. een verwonderde lach; 2. een aanstekelijke lach.

1.1  Genesis is het ‘boek van de geboorten’. De geboorte van hemel en aarde. De geboorte van de voorvaders van wereldvolken. De geboorte van Isaak, de geboorte uiteindelijk van Israël. Ook in de geschiedenis van Abraham draait alles om een geboorte. Abram en Sarai zijn 25 jaar in verwachting! Geef je het hopen en wachten dan niet een keer op? De schrijver van Genesis laat geen gelegenheid voorbij gaan om daar op te wijzen.

1.2  Eén ding wordt alsmaar duidelijker: een kind krijgen, dat gaat echt niet meer! Abram is al oud, Sarai is onvruchtbaar, een kind van die twee zit er niet in. God kan veel beloven, maar er komt een moment dat je niet langer wacht. Daarom had Sarai bedacht: neem mijn slavin Hagar tot vrouw. Een gezonde jonge vrouw, een prima draagmoeder! En zo gebeurt het: als Abram 86 is, wordt Ismaël geboren. Je moet geloven in Gods beloften, maar ook vertrouwen op je eigen gezonde verstand, toch? Zal Abram er gerust op zijn geweest?

1.3  Is hij er echt van overtuigd geweest, dat dit Gods bedoeling was? Hoe dan ook, Ismaël groeit op, hij wordt 10, 12, 13… En dan ineens verschijnt God, Abram is dan 99! Al die jaren had hij niets meer van God vernomen. Ismaël was geboren, groeide op. De hemel zweeg: teken van Gods instemming? En dan verschijnt de HEER, en het eerste wat hij zegt is: Ik ben God, de Ontzagwekkende! Zie je nou wel, God is de ontzagwekkende, de almachtige. Alsof hij zeggen wil: denk niet te klein van mij!

1.4  Ik ben de God voor wie niets onmogelijk is! Ruim 13 jaar eerder hadden Abram en Sara hun eigen oplossing bedacht. Ze dachten God een handje te helpen met de vervulling van zijn belofte. En nu verschijnt die Ontzagwekkende: ik ben de almachtige God! En hij herhaalt wat hij al eerder had beloofd. Abram, jouw naam wordt Abraham, vader van vele volken. En Sarai wordt Sara, ik geef jou uit háár een zoon, uit haar zullen die volken voortkomen. En dan komt het. Abraham gooit zich voorover op de grond. Hij heeft 13 jaar lang zijn hoop op Ismaël gesteld, Ismaël als de beloofde zoon. Nu weet hij niet hoe hij het heeft. Hij lacht! Hoor je dat: hij lacht, Abraham lacht (Gen. 17,17)! Wist je dat: dat ook Abraham gelachen heeft om Gods wonderlijke plannen? Het is toch ook om te lachen: Hoe zou iemand van honderd nog een kind kunnen krijgen? En

2.1  Sara, zou zij op haar negentigste nog een kind ter wereld kunnen brengen?!! Je zou bijna zeggen: laat me niet lachen… Maar zo praten mensen die God niet kennen. Abraham kent God, persoonlijk. Hij lacht, niet uit ongeloof, uit verwondering. Hij en Sara nog een kind, dat is toch ongelooflijk!? Maar de HEER is heel beslist: nee, je eigen vrouw Sara krijgt een zoon.

2.2  Isaak moet hij heten, Isaak, dat is: hij lacht! Wat een belachelijke naam, je zult maar “Hijlacht” heten… Ja, een naam die hem zijn leven lang zal herinneren aan Gods dwaze plannen. Maar de belachelijkheid van God is wijzer en sterker dan de mensen, zegt Paulus. God doet wat voor mensen onmogelijk is. En wéér wordt er gelachen bij Mamré.

3   Nu is het Sara die lacht, een jaar later. Stilletjes in haar tent, achter de schermen. Hoort ze het goed: zij een zoon?! Haha, ik ben stokoud, ik kan het niet geloven. Ze lacht, omdat ze het misschien wel geloven wil, maar niet kan. Maar God bestraft haar: zou voor de HEER iets te wonderlijk zijn, Sara? Over een jaar spreek ik je weer, en dan zul je een kind vasthouden, jouw kind. Een jaar later verricht die Almachtige een wonder in een stokoude vrouw. Hij alleen kan dat: leven wekken uit wat dood is.

4   Genesis, boek der geboorten, boek der beloften, boek der wonderen. Hier is dan eindelijk die beloofde zoon, zoon van het wonder. Twee bejaarden met een pasgeboren kindje, een opa en oma pa en ma. Sara is één en al lach: ze straalt, kijkt naar haar kind, kan het niet geloven. Kijk dan, het lacht, hij lacht, Isaak! Ze lacht, van blijdschap, van verwondering, van dank. God maakt dat ik kan lachen! En in dat gezichtje zien ze niet alleen dat kind, hun kind. Ze zien Gods macht, Gods trouw. Hij die waar maakt wat hij belooft. In hun baby zien ze Gods grote toekomst. De overwinning van het zaad van de vrouw. De doorbraak van het koninkrijk van de hemel.

Wat een gelach in de tenten bij Mamré! Een aanstekelijke lach is het. Een profetisch lachen. Want Sara wordt een profetes.

5.1  Ze profeteert: Iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen! Als je dit ziet, kom je niet meer bij: een vrouw van in de negentig met een kind aan de borst! En ze lacht, omdat God een nieuwe toekomst opent. Isaak is de vader van Jakob, Jakob de vader van Israël, Israël het volk van de messias. Eeuwen later is er opnieuw een vrouw die haar blijdschap niet op kan. Geen oude maar een jonge vrouw. Geen onvruchtbare vrouw, maar een maagd. En toch zwanger van nieuw leven, een even onbegrijpelijk wonder. Ook zij wordt bezocht door God, door Gods Geest. Het is Maria, moeder van het beloofde kind. En ook Maria lacht.

5.2  Ze wordt vervuld van de heilige Geest en begint God te prijzen. In haar lied hoor je de echo van Gen. 21. Mijn ziel maakt groot de Heer, want hij heeft omgezien naar mijn lage staat. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, ja, grote dingen heeft de Machtige, de Ontzagwekkende, voor mij gedaan! Zo reiken Sara en Maria elkaar de hand. En het is de gouden handdruk van het geloof, dat als een ketting door de geschiedenis loopt. Deze aanstaande moeder ziet die lijn, je hoort het in haar lied: Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid. Abrahams nageslacht, dat zijn ook wij. Isaak was een wonder. Jezus, geboren uit een maagd, een nog groter wonder. En een wonder ben ook jij die in hem gelooft. Je bent uit God geboren! Zo hechten wij het boek van ons leven vast aan het boek der geboorten.

6.1  Ook wij zijn levende wonderen van God in deze wereld. Levende bewijzen van het nieuwe begin dat God maakt. Weet je hoe ik dat soms zie? Als een mens midden in een crisis in zijn leven zegt: maar ik heb rust in God! Ik ben niet bang om te sterven, want ik ben uit God geboren! Wat een machtig getuigenis is dat dan!

6.2  Al springen je de tranen in de ogen, door je tranen heen breekt een lach door. Hoe is dat mogelijk?! Dan zie je het levende bewijs: zou iets voor God onmogelijk zijn? God maakt dat ik lach! En die lach werkt aanstekelijk: hij maakt anderen aan het lachen. Omdat ze zo genieten van de liefde van God, onder de indruk komen van zijn trouw. Ja, christenen kunnen lachend door het leven gaan. Nee, niet oppervlakkig en leve de lol. Wel opgeruimd, Jezus’ offer is een pak van je hart. Dan kun je je leven in zijn hand leggen, je zorgen aan hem toevertrouwen. In de kerk van Christus kun je nog eens lachen! Sara’s lach werkt aanstekelijk, gelachen wordt er nog steeds. Totdat Jezus komt, met een stralende lach.

Amen

1390783237_docx_win 1390783261_pptx_win

 

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *