Belletje drukken

 

 

In Amsterdam bestond mijn werk voor een groot deel uit ‘belletje trekken’ (belletje drúkken dus…). Ik ging eropuit met het gemeentegidsje op zak, kriskras door Amsterdam, en drukte op belletjes, benieuwd wie er van achter die deur tevoorschijn zou komen. Van alle namen en adressen in m’n boekje zag ik een kwart nooit in de kerk, dus zocht ik ze op.

Meestal ging de deur open. “O, je bent van de kerk?” En ging hij soms al bijna weer dicht. “Nee”, zei ik dan, “ik kom niks verkopen, ik kom voor jou: wie ben jij, en wie is God voor jou.” Gelukkig ging die deur dan toch open. Wat een cadeau: dat mensen die jou niet kennen je zo maar welkom heten en met je willen praten, over God nog wel!

Dit leidde tot mooie gesprekken, vaak met een vervolg. Uiteindelijk verzamelde ik zo tientallen mensen in groepjes. Eens per 3 à 4 weken ontmoetten we elkaar dan bij één van de deelnemers thuis. Aan de hand van o.a. boeken als God leren kennen/Knowing God van J.I. Packer ontstond een boeiende zoektocht. Zoekgroepen noemde ik ze. Ik moest ze zeker geen ‘catechese- of leergroepen’ noemen, dan waren ze weg. Zoeken, dat geeft ruimte. Het ging er ook niet om dat ze weer naar de kerk zouden komen. Nee, zoeken is zoeken naar God, wie God is voor jou, hoe je jouw relatie met hem ziet. Degenen die meededen waren zeer gemotiveerd. In de kerk zag je soms een enkeling terugkeren, maar de meesten zeiden: nee, de kerk dat wordt ‘m voor mij niet meer, laat deze groep voor mij maar kerk zijn.

Op jezelf

Veel jongeren die ‘op kamers’ gaan, woonden tot voor kort nog bij hun ouders, in een beschermde omgeving. Vrienden en familie om je heen, een gemeente waarin je al je hele leven met elkaar optrekt. En dan ineens beland je in de anonimiteit en massaliteit van een studentenstad. Op de universiteit ben je één van de vele individuen die daar hun eigen weg moeten zien te vinden. Je moet ineens je eigen beslissingen nemen, over opstaan en naar bed gaan, naar school gaan en ja, ook: ga ik naar de kerk of niet. En geloven?

Geloven gedijt het beste in een gemeenschap waarin je ‘mee loopt’. Die gemeenschap is meer dan ‘naar de kerk gaan’, het is een netwerk. Je trekt met elkaar op, je laat je meenemen. Dat is een ‘sociologische’ kijk op kerk: meegaan in sociale contacten helpt je tot eigen keuzes te komen. Dat is ook zoals God werkt: mensen betrekken in de invloedsfeer, het krachtenveld, van zijn Geest.

Dat netwerk valt weg als je op jezelf komt te staan in de studentenstad. Een totaal andere omgeving waarin je niet langer als vanzelfsprekend ‘meeloopt’. Veel jongeren zijn daar niet echt op voorbereid. En ook veel ouders beseffen vaak niet wat dit voor hun kind betekent. Een vader belde me eens: “Hoe gaat het met mijn zoon op catechisatie?” Toen hij de naam zei, had ik van die jongeman nog nooit gehoord! En het adres dat hij noemde was mij onbekend. Nogal naïef dat je denkt dat jouw zoon zich wel zelf zal aanmelden bij de kerk. En dat hij zelf de dominee wel belt. En op zondagochtend naar de kerk gaat. Wat moet je daar, als je niemand kent?

Dus gebeurt het zo maar dat geloven er bij in gaat schieten. Buiten dat krachtenveld van de Geest gaat je geloof snel verdampen. En je merkt dat het snel went als dat vaste ritme van elke zondag wegvalt. In een stad als Amsterdam ‘kraait er geen haan naar’ als je er ’s zondags niet bent, in een kerk waar bijna wekelijks nieuwe mensen binnenkomen word je niet zo gauw gemist… Hou dat maar eens bij. Tenzij, tenzij er dus iemand op uit gaat om op belletjes te drukken…

Studentenpastoraat

In het boekje Kerk zijn in de grote stad[1] hebben we indertijd de vraag besproken, of je kunt spreken van ‘stadskerken’ en wat dan de kenmerken zijn in vergelijking met andere kerken. Het gaat om wat we tegenwoordig in de theologie noemen ‘contextuele factoren’: de stedelijke omgeving. Dit boekje, resultaat van een GSEV-congres, werd geboren vanuit een behoefte om aandacht te vragen voor de specifieke situatie van stadskerken: vaak kleine kerken met weinig ervaren kader en beperkte mogelijkheden, die opvang moeten bieden aan jongeren in een cruciale levensfase waarin ingrijpende levenskeuzes worden gemaakt.

Vorig jaar verscheen een boekje waarin we diezelfde roep om aandacht voor de studenten en kerken in studentensteden tegenkomen: Vooruitgeschoven post, onder redactie van ds. Ton Huttenga.[2] Het werd uitgegeven ter gelegenheid van zijn emeritaat als studentenpastor in Groningen. In het eerste deel van het boek beschrijft hij zelf zijn werk, dat hij deed van 2003 tot 2018. Wie zijn de doelgroep? Wat zijn hun specifieke kenmerken, en waarin verschillen zij van ‘normale’ kerkleden? Wat kom je tegen in dit werkveld? Hoe moeten we als kerken onze zorg voor deze specifieke doelgroep invullen?

Het tweede deel van het boek zijn interviews met studenten en voormalige studenten. Wat hebben zij ervaren toen ze studeerden? Hoe kwamen ze in aanraking met het studentenpastoraat? Wat hebben ze geleerd, hoe zijn ze in hun geloof gesteund of gegroeid en welke rol speelden de studentenpastor en de activiteiten van het studentenpastoraat daarin? Stuk voor stuk eerlijke en leerzame getuigenissen.

In het derde deel van het boek vinden we artikelen van enkele andere auteurs, direct of indirect betrokken bij het Groningse studentenpastoraat. Er wordt iets verteld over het werk van het christelijk studentenwerk van IFES (International Fellowship of Evangelical Students). Ds. Lucius de Graaff vertelt over zijn ervaringen als studentenpastor voor de theologiestudenten in Kampen. Ds. Tiemen Dijkema schrijft over hoe de kerken in ‘Stad en Ommeland’ samen verantwoordelijkheid nemen voor het studentenpastoraat. En ds. Tiemo Meijlink legt in zijn bijdrage uit wat het GSp is: het Groninger Studentenplatform voor Levensbeschouwing, onder welke naam het vroegere interkerkelijke studentenpastoraat verder is gegaan.

Ruimte voor eigen keuzes

In Huttenga’s verhaal komt de vraag naar voren hoe studentenpastoraat zich verhoudt tot de kerk. Moeten studenten niet gewoon meedraaien met de gemeente? Een aparte benadering voor studerenden lijkt zich telkens opnieuw te moeten rechtvaardigen. Blijkbaar stuit pastorale zorg voor een aparte doelgroep op weerstand. Zou dat komen doordat kerken elders het geld ervoor moeten ophoesten? Intussen sturen ouders uit die kerken wel hun kinderen naar deze universiteitssteden. En gaan ze ervan uit dat hun kinderen daar wel door de kerk opgevangen worden.

Uit het verhaal van Huttenga blijkt wel hoe lastig dat gaat. Studenten raken niet vanzelf geïntegreerd in een kerkelijke gemeente. Ze leven anders, hebben een ander dag- en nachtritme. Studeren is ook een tijd van genieten van het leven, van contacten en gezelligheid. Ze bewegen zich in een “nogal geïsoleerde omgeving”, zegt Huttenga, omdat studenten veel tijd doorbrengen in de wereld van universiteit, met docenten en medestudenten. Een wereld die door mensen daarbuiten soms moeilijk begrepen wordt. Hierdoor is er afstand tot de plaatselijke kerk en ontstaan er niet op natuurlijke wijze contacten.

Daarbij zijn ze ook vaak met heel andere vragen bezig, op het snijvlak van geloof en wetenschap. Veel studenten denken kritisch door over allerlei aannames. Ze bevragen zekerheden die voor velen vanzelfsprekendheden zijn, en ze moeten dat ook doen. Zonder die kritische houding word je een vakidioot, die alleen maar komt studeren, een vak leert en snel een baan zoekt om geld te verdienen. Voor mensen die een beroepsopleiding volgen of ‘gewoon werken’, spelen zulke kritische vragen vaak minder. Ook op catechisatie merk ik dat verschil, sommigen zeggen bij het onderwerp schepping/evolutie al vrij snel: daar moet je niet zo over nadenken, dat moet je ‘gewoon’ geloven. Studerenden nemen daar geen genoegen mee en willen dieper in deze vraagstukken doordringen.

Ook willen zij vrij kunnen denken en reflecteren. Studenten hebben een sensitieve antenne voor de cultuur en samenleving waarin ze op zoek zijn naar hun identiteit. De cultuur die ze inademen, is een sfeer waarin men zelf wil kunnen denken en kiezen. Veel studerenden voelen daardoor weerstand tegenover een gezaghebbend spreken, in onderwijs en preken. Terwijl de kerk vanouds veel uitzond (een boodschap of leer, die mensen met gezag voorschreef wat en hoe ze moesten geloven en handelen), botst dat met de beleving van moderne jongvolwassenen.

In dat klimaat zoekt de studentenpastor een houding van presentie: er zijn, luisteren, je kennis en expertise inbrengen waar het kan. Het gaat er daarbij om, dat de mensen van je doelgroep ruimte ervaren om hun eigen vragen te kunnen stellen en hun eigen keuzes te kunnen maken, zonder dat er een bij voorbaat dichtgetimmerd standpunt uit dient te komen. “Trekken en sleuren helpt nooit”, zo verwoordde de studentenpastor het zelf bij zijn afscheid. De pastor moet niet zozeer proberen studenten voor de kerk te behouden of te winnen. Het gaat dieper, hij/zij is er op uit dat studenten de waarde van geloven ontdekken en leren hoe ze geloven in God kunnen integreren in hun academische bestaan.

“De vader gaf hem wat hij vroeg”

Onder die titel schrijft Huttenga een prachtige overdenking bij de vaak zo genoemde ‘gelijkenis van de verloren zoon’ (Lucas 15). Het is opvallend dat hij die insteek kiest: die ene bijzondere zin “de vader gaf hem wat hij vroeg”. In dit hoofdstuk bespreekt Huttenga de gedachte dat je ‘bij God weg mag lopen’. En dat God je dan laat gaan. Dat roept de vraag op, in hoeverre we als kerk achter die weglopers aan moeten (blijven) gaan.

Ik kan me goed voorstellen, dat die vraag zich in de praktijk van het studentenpastoraat zonder meer aan je opdringt. Het heeft alles te maken ook met de vraag of we (jong-)volwassenen serieus nemen als mensen die hun eigen keus maken. Heel herkenbaar beschrijft Huttenga het sluipende proces van verwijdering. Eerst komt de student nog vaak een weekend thuis en gaat veelal nog mee naar de kerk. Maar een ouderling die pogingen doet om een gesprek af te spreken merkt dat dit niet of moeizaam lukt, de student ontloopt hem. Duidelijk laat hij zien, dat zijn motivatie voor zo’n contact afneemt. Moet die ouderling zijn pogingen maar niet staken?

In de gelijkenis gebeurt het afscheid niet sluipend. De zoon is zodra hij zijn geld heeft direct vertrokken. “En het vreemde is dat de vader zijn zoon niet tegenhoudt”, zegt Huttenga (56). In feite laat de vader zich door zijn zoon diep vernederen. God laat dat gebeuren. En komen die zonen terug, dan doet de vader alsof er niets is gebeurd: hij organiseert zelfs een groot feest! God reageert anders dan mensen. Mensen eisen wederliefde, God geeft zijn liefde zonder meer. Zijn liefde verandert niet als mensen bij hem weglopen! En zelfs de diepste vernedering, zijn zoon die aan het kruis genageld wordt, ondergaat hij! En op grond daarvan blijft hij zich geven.

Hieruit concludeert Huttenga: “Als iemand weg wil bij God, dan mag hij dat” (57). Dat vinden wij mensen heel moeilijk. We vragen ons af: waarom doet God niets?! Waarom laat hij kinderen van hem gaan? God doet wel degelijk iets, zegt Huttenga: aan het eind van het verhaal hoor je de ‘clou’: “Hij was verloren en is teruggevonden”. Wie had hem dan gezocht? De vader uit de gelijkenis niet, die wacht zijn zoon alleen maar op. Alleen maar? Dat is nu precies Gods geheim: dat hij kan wachten! Met al zijn liefde staat hij al op de uitkijk! Die liefde die hij op Golgotha al heeft laten zien.

Dat leert deze gelijkenis ons. Zoals ze ons ook leert, dat een mens de keus heeft. Je kunt weglopen! Maar God loopt níet weg! Daarom moeten wij onszelf de vraag stellen: moeten wij soms ook niet mensen laten gaan? Zeker, het beste is als je mensen vraagt die volwassen keus ook op een volwassen manier te maken. Door te communiceren, een zelfstandige daad te stellen, en te verzoeken zich ‘uit te laten schrijven’. Maar voelt zo’n jongere altijd wel de ruimte om dit te doen, zonder dat er weer op hem ingepraat gaat worden? Dat inpraten op mensen, is dat niet soms ons gebrek aan respect voor ieders eigen keus?

Afscheid nemen: in geloof wachten

Maar wat dan? Huttenga heeft duidelijk veel geleerd in zijn contact met studenten, hij schrijft zeer fijngevoelig over hen. Dat brengt hem tot de uitspraak, dat je zelfs blij kunt zijn als een jongere je toevertrouwt niet meer in God te geloven. Blijkbaar voelt diegene zich voldoende veilig bij jou om dat te zeggen! Het helpt immers niet, als je hem dat gaat ontzeggen met normatieve waarschuwingen die hij toch al kent? Daar wordt zijn diepste zielsstrijd toch niet beter bespreekbaar door?

Deze benadering getuigt van wijsheid en respect voor de ander als volwassen persoonlijkheid. Dat mis je nogal eens in de kerk. We trekken zo vaak aan elkaar, laten elkaar maar niet los. Het effect is dan, dat het vertrouwen om naar elkaar te luisteren verdwijnt. En je het contact verliest. Houdt de studentenpastor het dan toch nog vol, met misschien zelfs wel zijn eigen ‘verborgen agenda’? Nee, alleen als er kansen zijn om het gesprek voort te zetten, zal hij die benutten. Door zijn eigen gedachten naast die van de student te zetten. Ze gewoon aan hem voor te houden: ‘take it of leave it’.

Dit is de ruimte van het evangelie, de ruimte van Jezus. Je moet afscheid van elkaar kunnen nemen. En een groot vertrouwen hebben in de God van Golgotha. Hij staat klaar, zijn armen wijd uitgespreid. Ik wens de studenten in alle studentensteden een pastor toe als Huttenga!

 

 

 

[1] W. Dekker e.a., Kerk zijn in de grote stad, Barneveld 1998

[2] Ton Huttenga (red.), Vooruitgeschoven post. Pastoraat aan studenten (2018)

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *