Vreemdelingen en priesters: een inspirerend boek van Stefan Paas

Is Stefan Paas van zijn geloof afgevallen?

Diverse reacties op het nieuwe boek van Stefan Paas Vreemdelingen en priesters (christelijke missie in een postchristelijke omgeving) lijken dit te suggereren. Stefan kwam van de Bible Belt naar Amsterdam, schrok zich rot en kwam erachter dat de grote massa helemaal niet op het evangelie van Jezus zit te wachten. Toch zou dit een simplistische karikatuur van dit boek zijn en bovendien hem noch als wetenschapper noch als mens recht doen. Bij lezing van het boek werd ik juist getroffen door een stuk theologische en vooral spirituele verdieping, die iedereen die de theologische ontwikkelingen en in het bijzonder de missionaire trends ook maar enigszins volgt even weer flink door elkaar schudt en aan het denken zet.

Bovendien, dit kanniewaarzijn: iemand met zo’n schat aan theologische kennis en ervaring, en vooral zo’n diepe gedrevenheid om het evangelie van Christus te delen met wie hem nog niet kent, en in de voorhoede van de missionaire wereld, in Nederland maar ook internationaal, die kan het niet maken om ineens zichzelf te gaan tegenspreken. Sterker nog, als je echt van je geloof gevallen bent, schrijf je geen boeken, en zeker dit boek niet!

Toch kun je ook niet ontkennen, dat deze primaire reactie wel even bij je opkomt. Wie een beetje thuis is in de laatste ontwikkelingen, zal bij dit boek wel even opkijken. Het wijkt af, is op zijn minst zeer onafhankelijk. Het komt hoe dan ook uit het hart en brein van iemand die zich voor geen enkele kar laat spannen. Het boek is in mijn beleving tegendraads: ingaand tegen alles wat op dit moment trendy is en voor de hand ligt. Ik mag dat wel. Zodra jan en alleman het woord ‘missionair’ in de mond neemt, wordt het hoog tijd om de waan van de dag achter ons te laten!

“Tom Poes, verzin een list”

Bij het lezen van het boek van Paas kwam deze onsterfelijke uitspraak van heer Olivier B. Bommel bij me boven. Christenen en kerken in Nederland willen er maar niet aan, dat het voorbij is met de ‘Christenheid’. Met die term[1] duidt Paas de periode aan, waarin de kerk oppermachtig was of in ieder geval eeuwenlang deel uit maakte van het establishment. Machtige kathedralen in het hart van grote steden en stoere dorpskerken die met hun massieve torens de horizon tekenen getuigen van het stempel dat de kerk op de samenleving zette, eeuwenlang. En nog steeds luiden veel kerken zondagsmorgens parmantig de klokken, zonder zich er ook maar iets van aan te trekken dat tachtig procent van Nederland dan nog dolgraag even van een beetje rust wil genieten en geërgerd zijn dekbed nog maar eens over zich heen trekt.

Nee, we willen er maar niet aan. In Ede was er zoveel ‘verdriet’ om de extra koopzondagen, dat men niet eens op het idee kwam hier juist een kans in te zien: wij zijn ook open op zondag, koffie is klaar! En dat voorbeeld kun je met vele aanvullen: nostalgie alom, van troonbede tot ‘weigerambtenaar’, we willen onze ‘verworvenheden’ maar niet loslaten. We koesteren ze, niet beseffend dat de kerk intussen onder onze betraande ogen leegloopt, vergrijst en ontgroent.[2]

Zeker, ik lees in Paas’ boek inderdaad een ontwikkeling, een verdere bewustwording. Misschien lees ik het er in, misschien ook vanuit mijn eigen proces, maar het is me uit het hart gegrepen als Paas in hoofdstuk 3 de gangbare evangelisatiestrategieën evalueert en de valkuilen ervan haarscherp belicht. Haarscherp, omdat hij bij alle gangbare evangelisatiemodellen de kanttekening plaatst, dat ze allemaal toch nog uit gaan van een soort hoog ideaal van (her)kerstening of herstel van de Christenheid.

De indeling die Paas daarbij maakt (twee groepen van drie), kwam mij in eerste instantie wat al te geforceerd over. Hoe kun je het oude volkskerkideaal, én het ‘vrijzinnige’ model van ‘kerk binnenstebuiten’ én het ‘anabaptistische tegencultuur-model’ (Hauerwass e.a.) onder één noemer brengen? En waarin komen de andere drie modellen (kerkgroeibeweging, zending als cultuurtransformatie (Kuyper, Keller) en het neo-pentacostalistische model van de kerk als leven-veranderende krachtcentrale (Hillsong, revivalisme) met elkaar overeen? Maar als ik daar even goed over nadenk, is het toch wel een goeie greep. Het verbindende element zit hem in die gerichtheid op die onkerkelijke wereld: “Alle zes de besproken modellen gaan op de een of andere manier uit van een grote eenheidsvisie: een wereld waarin mensen grotendeels dezelfde waarden delen, dezelfde verlangens hebben, en ‘in wezen’ hetzelfde geloven (…). De ene groep veronderstelt deze grootse eenheid als reeds aanwezig, in de andere groep is deze eenheid een ideaal dat opnieuw bereikt moet worden” (p. 109).

Het feit dat Paas zo kritisch is op elke vorm van getreur om die teloorgegane cultuur van het Christendom, spreekt mij aan. Ik voel zelf ook vaak vervreemding ten opzichte van christenen die luidkeels toeteren dat Jezus redt, of tegenover anderen die uit alle macht proberen op te komen voor behoud van ‘christelijke verworvenheden’ als zondagsrust of het gebed in de troonrede, etc. Dat kritische heeft iets profetisch: het stelt al die klaagzangen aan de kaak als onrealistische romantiek en misschien zelfs wel een stukje afgoderij. Het boek maakt volgens mij inderdaad op confronterende wijze duidelijk, dat onze evangelisatie-idealen nog vaak te maken hebben met ons rouwproces van niet kunnen accepteren dat de kerk een splintergroepje in de marge van de samenleving is. En dat die situatie ondanks allerlei evangelisatieoffensieven nu al decennia lang niet verandert. Wat hebben al die geweldige plannen en pioniersinitiatieven nu echt ‘opgeleverd’?

Kerken en christenen in West-Europa willen er maar niet aan. Ze bedenken de ene na de andere nieuwe strategie. Ze tuimelen over elkaar heen. Wat hebben we in de loop van de jaren niet allemaal al gehad: koffie- en inloophuizen, oude wijken pastoraat, Alpha en Emmaüs, gemeentestichting, Evangelisation Explosion, vriendschapsevangelisatie, fluid church, en noem het maar op. Het boek toont volgens mij haarscherp aan: heel veel wishful thinking. Als we dit nu eens gaan doen, dan zullen er zeker velen tot geloof gaan komen, de velden zijn wit! Maar hoeveel goeds er ook onder al die modellen en methodes is, die grote massa bekeerlingen is er niet gekomen. En ja, er zijn megakerken, ook in Nederland, die vol zitten: met spijtoptanten uit de gevestigde kerken, ja…

Tuurlijk, beetje kort door de bocht, en dat is zeker niet wat Paas doet in zijn dik 240 bladzijden. Zijn analyse is echter duidelijk en overtuigend: al die missionaire innovaties komen veelal neer op de wijsheid van heer Olivier B. Bommel, “Tom Poes, verzin een list”. Waarop de oude heer zelf neerzijgt in zijn zetel en een pijpje opsteekt, in afwachting van de reddingsoperaties van de Jonge Vriend… Nu gaat het goed komen! Maar de echte crisis is niet de afkalving die moet worden gekeerd, de werkelijke crisis zit van binnen: de innerlijke uitholling die zich in de haarvaten van christenen en kerken nestelt.

Een spiritualiteit van de ballingschap en van de diaspora

En dat brengt ons bij het hart van het boek: een hartstochtelijk en inspirerend pleidooi voor een geloofsreactie op de crisis. Ik kan merken, dat Paas boeken van auteurs als Wim Dekker en Bram van de Beek tot zich heeft genomen.[3] Maar wat ik bij deze beide auteurs proefde en waar ook Paas (vooral bij Dekker) de vinger bij legt, is een zelfde soort rouwproces. Vooral de manier waarop Wim Dekker spreekt over de marginalisering van de kerk, doet de klassieke voorliefde van voormalige hervormden voor het oude volkskerkelijke ideaal vermoeden. Dat de secularisatie zo sterk is, moeten we duiden als een oordeel van God, is Dekkers overtuiging. Dat oordeel treft dan ook juist de kerk, die dan graag gezien wordt als de verbondsmatige voortzetting van het oude verbondsvolk Israël. Ook Israël werd immers door de HEER zelf in ballingschap gebracht om zijn eigen zonden.

In deze analyses zit zeker een waarheidselement. Als de kerk vandaag in een randpositie belandt, ontkom je niet aan de vraag: wat wil de Heer ons hier wellicht mee zeggen? Maar met een al te concreet antwoord op die vraag loop je toch weer het risico dat je dat gaat invullen vanuit je eigen voorkeuren of je eigen idealen met betrekking tot het teloorgegane cultuurchristendom. Ik deel daarom het bezwaar van Paas, dat deze analyses tegelijk te weinig radicaal zijn, omdat de gedachte van een oordeel Gods ons ook gemakkelijk in een lijdelijke houding kan doen vervallen. Een oordeel is een straf die je overkomt en die je als het ware moet ondergaan. Er komt geen vernieuwing uit voort, geen reactie die inspireert tot nieuwe actie.

Dat wil niet zeggen, dat we meteen naar nieuwe actie toe moeten snellen. Dat is de tegenovergestelde valkuil: activisme. Dat blijft nog steeds te veel ‘Olivier B. Bommel’ (“verzin een list”): oplossingsgericht denken zonder tot een diepere peiling te komen van wat er echt aan de hand is. En daar wil Paas ons met dit boek naartoe leiden: om op zoek te gaan naar verdieping van onze spiritualiteit. De kerken verkeren in een identiteitscrisis, de oude zuilen zijn weg maar er is lang niet altijd nieuwe bezieling voor in de plaats gekomen. Kijk ik naar de praktijk in mijn plaatselijke gemeente en in het kerkverband van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in het algemeen, dan zitten we midden in die transitie. Dat is precies wat Paas beschrijft als hij de ballingschap en diaspora ziet als de beelden die de positie van de kerk in onze tijd treffend omschrijven.

Vanuit deze thematiek gaat hij in het laatste deel van het boek op zoek naar een door deze context gevormde spiritualiteit. Dat doet hij aan de hand van de eerste Brief van Petrus. De eerste geadresseerden van deze brief waren “uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bytinië” verbleven”, aldus de aanhef van deze brief. De eerste lezers waren christenen die door vervolging in een ‘ballingschaps-‘ of ‘diaspora-‘situatie terecht waren gekomen. Toch spoort Petrus hen in deze brief aan zich in te zetten voor hun naasten en in die vijandige niet-christelijke samenleving wel liefde en licht te verspreiden. In maar niet van de wereld.

Zo leven ze daar in vreemdelingschap, een minderheid die nooit in de positie is of zal komen om de macht over te nemen, om zodra ze kunnen op hun beurt repressie uit te oefenen. Nee, deze positie is juist typerend voor de kerk, dit is om zo te zeggen de natuurlijke habitat van de kerk van Jezus Christus! In de hoek, misschien zelfs wel de hoek waar de klappen vallen, maar juist daar levend van de eeuwige liefde van haar Heer.

En juist dat is ook haar uitverkoren zijn! Want uit de wereld heeft Christus deze gemeenschap geroepen om in die wereld zijn getuige te zijn. En hier zie je, hoe deze positie juist voluit missionair is! Een koninkrijk van priesters zijn zij: een gemeenschap met eer en glorie gekroond, omdat zij eigendom is van de Heer (“een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie”, 1 Petrus 2, 9!). En omdat zij de taak heeft gekregen om hem te loven en te prijzen: “om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.”

Daarmee sluit Petrus aan bij een motief uit het Oude Testament, dat we onder meer verwoord zien in Exodus 19,6 waar God heel Israël een koninkrijk van priesters noemt. Priesters waren specialisten, bemiddelaars tussen God en mensen. Ze vertegenwoordigden God bij de mensen, ze vertegenwoordigden de mensen bij God. In Exodus 19 zien we, hoe heel het volk deze positie krijgt, en dat te midden van de volken van de wereld (“want heel de aarde behoort mij toe”, zegt de HEER). Op vele andere plaatsen in het Oude Testament, vooral bij ‘Deutero-Jesaja’, wordt bij deze motieven aangesloten: Gods volk als zijn getuige, het licht voor de wereld. De priesterlijke positie: de mensen tot God brengen, God bij de mensen brengen.

Ik lees hier bij Paas de verwerking van één van de in mijn ogen meest magistrale theologische boeken van de laatste decennia, Christopher H. Wrights The Mission of God,[4] alhoewel hij er niet direct uit citeert en een zeer eigen uitwerking van deze priesterlijke spiritualiteit biedt. Wrights boek las ik in 2007 en ik wist meteen: dit is het! Het antwoord namelijk op de vraag waarom zending en evangelisatie altijd stiefkindjes zijn gebleven in de kerk en nooit de corebusiness werden. Je moet, zegt Wright, niet op zoek gaan naar de bijbelse fundering van zending en missie, je moet de missionaire fundering van de Bijbel zelf gaan zien! De Bijbel zelf is de missie van God, het Grote Verhaal van God die zijn naam wereldkundig wil maken en die erop uit is dat alle volken en mensen hem erkennen en aanbidden (Filippenzen 2, 10-11!).

Wright laat aan de hand van een enorm scala aan oudtestamentische passages zien, hoe Israël Gods project is in de wereld en voor de volken. Met recht een koninkrijk van priesters: een volk dat God vertegenwoordigt op aarde, en dat de volken en mensen vertegenwoordigt bij God. De nieuwtestamentische kerk krijgt dezelfde positie. Voor wie de Bijbel niet meer kent of leest, is Gods volk de enige Bijbel die men nog leest. In woorden en daden laat zij haar Heer zien.

Ontwikkeling

Hier zie ik, zoals ik zei, een ontwikkeling bij Paas. Maar dat is ook niet meer dan in de lijn van de verwachting voor iemand die vooraan wil blijven in de verkenningstocht die theologie heet. Dat is wetenschap: zoeken naar nieuwe inzichten en wegen. Net zoals ik ook bij mezelf in de loop van ruim dertig jaar een verschuiving zie in mijn visie op evangelisatie, vanuit praktijkervaring en door verdere studie. Ooit ging ik theologie studeren “om mensen te redden”. Al verwoordde ik dat niet op die manier, ik weet nog goed dat ik niet kon leven met de gedachte dat wie Jezus niet kent verloren gaat. Dus meldde ik me aan voor evangelisatiewerk, om te beginnen bij de Vereniging Evangelisatie & Recreatie.

Dat bleek een goede leerschool. Maar vooral doordat ik, misschien wel voor het eerst in mijn leven, in aanraking kwam met mensen die niet in God geloofden en ‘toch’ zo aardig en wellevend bleken te zijn. En ineens vond ik mezelf nogal betweterig als ik die mensen zo nodig te pas en te onpas met Jezus meende te moeten confronteren. Het campingwerk van E&R leende zich daar ook maar matig voor. Je was gezellig aan het volleyballen en aan het knutselen met de kinderen op de camping. En dan moest je die Boodschap zien te droppen. Hele discussies voerden we dan ook: hoe voorkom je dat je niet te veel bij de R blijft steken en niet meer aan de E toe komt?

Toen al was mijn denken hierover op gang gekomen en was mijn reactie: eerst maar eens zorgen voor goeie recreatie! Vervolgens maar eens zien of je ooit een kans krijgt om over het evangelie van Jezus in gesprek te komen! Maar het idee dat mensen die niet geloven naar de hel gaan, heeft me zeker nog jarenlang parten gespeeld. Ik herinner het me ook nog van mijn tijd in Amsterdam. Ik zat aan het bed van een vrouw die ging sterven. Ze zei: ik heb mijn hele leven zonder God gedaan, waarom zou ik dan nu ineens in hem gaan geloven. Om in de hemel te komen? Dat vind ik niet eerlijk. Die nacht overleed ze, en ik had het er moeilijk mee. En dan die man die ik ontmoette op het voetbalveld waar mijn jongens speelden. Elke zaterdag stonden we aan de lijn, maar ik ging hem uit de weg, omdat hij nogal opschepperig deed en elke week weer nieuwe blingbling liet zien. Totdat ik hem ineens niet meer zag. Hij was dood, door hartstilstand toen hij overvallen was op straat. Dramatisch natuurlijk. Maar ik dacht nog veel verder: waar is hij nu? Waarom heb ik hem nooit over Jezus verteld?!

Nu zijn we jaren verder. Al die jaren heb ik vele boeken gelezen, die me elke keer weer verder hielpen. Vooral heb ik veel gereflecteerd op de motivatie voor evangelisatie. Het naderende oordeel van God? Of de opdracht van Jezus? Als je mensen wilt waarschuwen voor de hel, maak je evangelieverkondiging tot iets instrumenteels (zegt ook Stefan Paas). Als je alleen vanuit de opdracht van Jezus werkt, blijft het een soort uitwendige plicht (reden waarom veel kerkmensen een hekel hebben aan evangelisatie of het gepraat erover als gedram ervaren). En zo zijn er al heel wat motieven langsgekomen, allemaal met hun eigen waarde maar ook beperkingen.

En nu zet dit boek je, in ieder geval voor nu, weer even met beide benen op de grond. Jij hoeft geen mensen te redden, dat doet God! Laat dat dan ook aan God over. In de jaren na Amsterdam ben ik daar ook zeker meer relaxt in geworden. In Alphen aan den Rijn schreef ik zelfs een scriptie over ‘kerk in de buurt’. We werken hier samen met het Buurtteam, in ons kerkgebouw ontvangen we twee keer per maand mensen uit de buurt. Echt ‘evangeliseren’ doen we daarbij niet. Presentie zonder pretentie noem ik dat, of met Sake Stoppels “koffie en aandacht schenken”.

Wat moeten we dus doen? De grote daden verkondigen van hem die ons uit de duisternis riep tot zijn wonderbaarlijke licht! Dat wil zeggen: gewoon kerk zijn. Samenkomen om die grote God te loven en te prijzen. Liturgie dus! Liturgie is voluit missionair, zegt Paas.

Toch: verkondigen

Daarbij maak ik nog wel een kanttekening. Petrus gebruikt in 1 Petrus 2,9 het woord exangello, letterlijk zoiets als ‘uit-boodschappen’. Dat had ik in het boek nog wel iets meer uitgewerkt en geprofileerd willen zien. Paas laat zeker de missionaire impact zien van dat ‘verkondigen van Gods grote daden’. Maar deze woordkeus is opvallend. Hier staat niet ‘lofprijzen’ of ‘dankzeggen’, maar ‘verkondigen’, met een bijklank van uitroepen, wereldkundig maken, publiek proclameren. Je kunt vanuit de Bijbel prima aantonen, dat eredienst het hart van kerk zijn en geloven is. Dat de aanbidding van God en de eucharistie de kern vormen van het christelijke leven. Dat eredienst dus ook verder gaat dan God vereren in de samenkomst van de gemeente (Romeinen 12, 1-2!).

Hierin volgt Paas de kerkvisie van Bram van de Beek, die niet moe wordt te zeggen dat de kerk er is vóór het geloof, Christus vóór de gelovigen. In die visie zit iets ‘monolitisch’: de kerk heeft iets van een rots, iets onaantastbaars. Zij gaat altijd door, de lofprijzing en de aanbidding van God zullen nooit ophouden, het geloof zal er altijd zijn, het Woord van God houdt door de tijden heen stand. Maar die visie kan ook tot missionaire apathie of passiviteit leiden. Al die jaren heb ik ook steeds weer mensen horen zeggen: eerst maar zorgen dat intern alles in orde is. Men beseft niet, dat die uitspraak een dubbel misverstand impliceert. Ten eerste is dit denken in ‘binnen’ en ‘buiten’. Alsof buiten niet evenzeer binnen is: de geest van de tijd in onze harten en levens. En alsof je zo duidelijk een grens kunt (of moet) trekken tussen wie ‘er bij horen’ en wie niet. Dat doet geen recht aan de dynamische praktijk van verschillen tussen mensen in geloofsgroei en christelijk leven. En het tweede misverstand is nog tragischer: wanneer denk je dat alles ‘intern in orde’ is? Ik weet het wel: als Jezus terugkomt! Tot zo lang wachten dus, met onze missie?

Daarom is het van belang om die dynamiek er in te houden: een kerk te zijn die niet rust en niet opgaat in aanbidding achter gesloten deuren. Het uitroepen van Gods grote daden kan nooit ‘indoor’ blijven. En dat is dan ook het vurige pleidooi van dit boek: als christenen God aanbidden, zal dat altijd doorklinken en doorschijnen, via ons levensgetuigenis in de wereld. Ik denk daarbij aan de bekende uitspraak van Franciscus van Assisi: “getuig altijd van het evangelie, zo nodig met woorden”. Dat laat zien dat de missionaire betekenis van het prijzen van God allereerst gelegen is in leven van Christus’ liefde. Heb onvoorwaardelijk lief, dat zal de mensen overtuigen!

Dat bevrijdt mij van die kramphouding van mensen moeten redden, omdat ze anders verloren gaan. Heb je medemensen gewoon lief. Dat geldt ook van mijn catechisanten en mijn eigen kinderen. Ik hoop dat ze zich vrij voelen en de ruimte ervaren voor een eigen keus. En ik bid (als Job, maar daar zijn mijn kinderen niet bij) dat ze Jezus vinden, omdat er bij niemand anders leven is. Ik mag ze biddend in Gods hand laten. En echt geloven: God is groot, machtig en vooral trouw!

 

Noten:

[1] In het verleden sprak men ook wel van Christendom, als aanduiding van de cultuurperiode die men algemeen ziet beginnen met de eerste ‘christelijke’ keizer, Constantijn de Grote, daarom ook wel het Constantijns tijdperk genoemd. In deze periode vielen de kerk en de staatsmacht samen en domineerde de kerk de samenleving.

[2] Zie J. Slendebroek-Meints, De toekomst in de kerk. Demografische trends binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Uitgave van Centrum voor Samenlevingsvraagstukken van de GH Zwolle (tegenwoordig Viaa), 2010. De kerken blijken demografisch niet af te wijken van de trends van vergrijzing en ontgroening die ook in de samenleving zijn waar te nemen. Ontgroening in de kerken is niet alleen het verschijnsel, dat er minder kinderen geboren worden maar ook dat jongeren de kerk verlaten ook vanwege groeiende weerstand tegenover instituties.

[3] Wim Dekker, Marginaal en Missionair. En: Tegendraads en bij de tijds. Bram van de Beek, Lichaam en Geest van Christus.

[4] Christopher H. Wright, The Mission of God. Unlocking the Bible’s Grand Narrative, 2006.

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *