Mensenrechten avant la lettre – Preek over het achtste gebod (HC zondag 42)

Blijf met je tengels…

Er is bij je ingebroken. Ik weet wat het is: nog nachten daarna zat ik soms ineens rechtop in m’n bed. Boos: welke onverlaat heeft het lef om in mijn huis te komen en alles overhoop te halen? Laat hij met z’n tengels van mijn spullen af blijven! Mijn spullen… Maar wat in deze wereld is nu eigenlijk van mij? Niets is van mij, alles van God. Dat is de les van het 8e gebod.

Steel niets én niemand!

Er is een uitleg van het achtste gebod, die dit gebod vertaalt als “steel niets en niemand”! Dit gebod gaat volgens sommigen vooral om diefstal van mensen. Daar wordt in de Bijbel inderdaad scherp tegen gewaarschuwd. Niemand mag een mens van zijn vrijheid beroven of als slaaf verkopen. Een uitleg die vandaag heel actueel is. Gewetenloze criminelen verdienen kapitalen met mensensmokkel. Mensen zonder hoop en toekomst geven alles wat ze hebben om te kunnen vluchten. Ze worden in wrakken van bootjes verscheept. En als ze het al overleven en de overkant halen, hebben ze ook daar geen enkel uitzicht. Of vrouwen worden naar het westen gelokt met beloften dat ze veel geld kunnen verdienen. Maar bij aankomst belanden ze in de prostitutie. Tegen dat soort onrecht protesteert dit gebod.

Deze uitleg is niet zo vreemd als hij lijkt. Volgens sommige onderzoekers is dit de oorspronkelijke versie van het diefstalverbod. Ook zeggen ze: het zesde gebod gaat over het leven van de naaste, het zevende over zijn huwelijk. Het negende over iemands eer en goede naam. Dus: allemaal zonden waarmee iemand zich vergrijpt aan de persoon van zijn naaste. In dat rijtje past dan deze uitleg van het achtste prima. Dan gaat het om de vrijheid van de ander, zijn recht op bescherming.

Toch ligt dat heel dicht bij diefstal van iemands bezittingen. Want jouw persoonlijke vrijheid heeft alles te maken met jouw persoonlijke bezit. Wat je hebt zegt iets over wie je bent. Wat van jou is, is een stuk van jezelf.

Nu verbiedt de Bijbel het hebben van spullen beslist niet. Maar tegelijk is het zo, dat een Israëliet nooit een absoluut eigendomsrecht had. De Israëlieten moesten leven in het besef, dat het echte eigendomsrecht bij God berust. Hij is de Schepper van alle dingen, van hem is de aarde en alles wat daar leeft (Psalm 24,1). Kanaän was het land van God. God wilde een uniek ‘project’ in de wereld: een bijzonder volk in een bijzonder land. Een land en volk, dat uniek zou zijn in de wereld. Ieder kreeg daarin een stuk land, maar dat heette je erfdeel. Daarover ben je niet zelf heer en meester, je bent maar een pachter, rentmeester. Niet Israël is de eigenaar, het is zelfs andersom: Israël heet zelf Gods eigendom (Exodus 19,5).

Dus in de Bijbel kan ieder wel een zeker bezit hebben. Maar je hebt geen absoluut eigendomsrecht. Eigendom is iets heel betrekkelijks. In het Nieuwe Testament wordt dit herhaald. Paulus zegt: Gods nieuwe wereld komt, leef dus hebbend als niet hebbend (1 Korinthe 7).

Hoe gaan wij om met wat we hebben? Het is moeilijk geworden om jezelf te denken zonder je spullen, we stikken er in. Ook in tijden van z.g. ‘crisis’ zijn onze huizen overvol spullen. Zelf stond ik daar een tijd geleden bij stil, toen we waterschade hadden: hoe erg vind ik dit? Wat zou ik zijn zonder mijn boeken, mijn films en cd’s, mijn kampeerspullen? Kan ik uiteindelijk zonder dat alles? Kan ik nog wel bezitten als niet bezittend, hebben als niet hebbend? Of zit ik maar al te vast aan wat ik heb, aan materiële zaken, vast aan dit leven?

Steel niet maar doe je werk, denkend aan de ander!

Dat is de volgende boodschap van dit gebod. Dat iedere familie haar eigen erfdeel had, was een soort bestaansgarantie. En dat erfdeel, dat moest in de familie blijven. In de Bijbel komen we de geschiedenis van Nabot tegen. Koning Achab wil zijn landbezit uitbreiden, ten koste van het erfbezit van zijn buurman Nabot. Maar Nabot geeft niet toe aan de hebzucht en zelfverrijking van de koning, en moet dat met een onrechtvaardige dood bekopen. God straft vervolgens Achab, om de vertreding van de rechten van een Israëliet. De erfdelen moesten onlosmakelijk verbonden blijven met de families.

Toch kon het gebeuren, dat je in de schulden raakte en je grond moest verkopen. Ook daarvoor waren er dan regels. Na verloop van tijd moest die verkoop ongedaan gemaakt worden. In het Jubeljaar, elk 50e jaar, moest elke familie weer terugkeren op de eigen grond. Men vraagt zich wel af, of men zich wel altijd aan deze instelling gehouden heeft. Dat was wel Gods bedoeling: er mocht in Israël geen klasse van bezitlozen ontstaan.

Toch waren er altijd wel weer mensen die verarmden. Daarvoor waren er dan ook weer bepalingen. Niet alleen het gebod om armen te verzorgen door bewust koren op het land achter te laten. Maar ook het verbod om rente te vragen over een lening aan armen.

Raakte iemand dan toch zijn erfdeel kwijt, dan was er ook de plicht tot lossen. Een familielid moest dan zijn land kopen, zodat het erfdeel in de familie bleef. En dan was er ook nog het sabbatsjaar. In dat jaar mochten ze niet zaaien en oogsten, het land lag braak. Ze moesten leven van wat er dan vanzelf opkwam. En schuldeisers mochten armen niet dwingen tot afbetaling.

Ten slotte waren er allerlei bepalingen over het opeisen van schulden van armen. We hebben voorbeelden gelezen uit Deuteronomium.            Men mocht geen onderpanden eisen van primaire levensbehoeften. Bijv.: geen opperkleed, de ‘jas’ voor overdag, maar ook de ‘deken’ waaronder iemand slaapt.

In al deze dingen was Israël een uniek volk in de wereld. Bij geen enkel ander volk zie je zoveel bepalingen van sociale gerechtigheid. Elk klassenverschil, laat staan klassenstrijd, moest worden voorkomen. Toch weten we, dat dit schone ideaal ook in Israël niet altijd gehaald is. Zo kwamen er later koningen, die zware belastingen eisten. God wilde niet, dat koningen te machtig werden. Toch gebeurde dat wel, ook Salomo maakte zich er schuldig aan. En in het voetspoor van de koningen volgde de hele bestuurlijke laag en zelfs de priesters. De profeten protesteren fel tegen het sociale onrecht van de rijken (Amos, Micha, Jesaja). Zij grijpen terug op Gods oorspronkelijke rechtvaardige wetten, het recht van de armen.

Onrecht tegen de persoon van je naaste, juist die arm en kwetsbaar is, is diefstal van God. In onze kapitalistische maatschappij nog net zo erg als toen. Mensen geven niet meer zo maar aan goede doelen, ze zijn wantrouwig geworden. Ze willen weten: wat verdient de directeur van het Fonds Kankerbestrijding? En inderdaad, als je de bedragen hoort, denk je dan ook niet: dat slaat toch nergens op? Hoezo de tonnen die bestuurders van banken en woningcorporaties verdienen? Met daar bovenop die onuitroeibare zelfverrijking van een bonussencultuur. Met hoeveel miljoenen gingen de bestuurders van Vestia naar huis (in 2014 in het nieuws)?

Men rechtvaardigt dit door te zeggen: ja, maar topfuncties vragen om topsalarissen. Maar voor wie werken die bestuurders: voor de aandeelhouders en zichzelf? Dan is dat diefstal van je klanten, verrijking over de rug van je doelgroep. Ook in het nieuws was deze week (2014) de uitbuiting van Poolse arbeidsmigranten. Willen wij het vlees nog wel eten uit de slachterijen waar zij worden afgebeuld?

Als je je werk niet doet om dienstbaar te zijn, ben je een dief, volgens dit gebod. De boodschap van het achtste gebod is: doe je werk zo, dat je altijd ook aan anderen denkt. Wie veel vangt, heeft veel te geven. Jezus heeft ooit gezegd: geven maakt gelukkiger dan ontvangen (zie Handelingen 20,35). En zo is het: dat geld gelukkig maakt is een leugen, geven maakt blij.

Tenslotte: God staat aan de kant van de armen

Ja, daar kijk je misschien van op, maar we kunnen er niet omheen. Wie barmhartig is voor een arme leent aan de HEER (Spreuken 19,17). In het Hebreeuws zit in het woord voor arm ook de klank van nederig, ootmoedig. De nederigen verheugen zich, wie God zoeken, hun hart zal opleven. Want de HEER hoort de armen (Psalm 69, 33-34).

Dat wil niet zeggen, dat de Bijbel armoede ophemelt. Jezelf om je schulden verkopen, als slaaf of prostituee, daar is niks hemels aan. Nergens in de Bijbel dan ook een spoor van een armoede-ideaal, zoals bij kloosterlingen. Wel worden armen in de Bijbel hoog geacht. En dat is omdat God naast hen staat, in hun strijd om hun recht. God kiest partij: voor ontrechten, tegen macht en uitbuiting. Niet voor niets worden de machtigen in de Bijbel vaak goddelozen genoemd, hoogmoedigen. God is een helper van de verdrukten. Armen zullen ook eerder tot God vluchten, zich van hem afhankelijk weten. Rijken (wij, de meesten van ons, ook!) moeten nog maar zien dat ze door het oog van de naald komen. Om al deze dingen mogen we als kerk wel eens wat meer op de bres voor de verdrukten. Daarmee word je als kerk geen politieke partij, wel kies je bijbels-sociaal partij.

Maar ten slotte is er één reden, die de diepste reden is voor Gods liefde voor armen. En dat is zijn eigen Zoon, die arm werd om ons rijk te maken. Jezus Christus heeft zelf zijn hemelse glorie prijsgegeven. Hij kwam naast ons staan, in onze ellende en verlorenheid. Hij droeg de vloek van deze wereld, liet zich uitkotsen door de machtigen. En bij hem mogen wij nu aan tafel: als je komt als arme bedelaar, als mens met lege handen. Je wordt niet gelukkig van je spullen. Maar van hem die je hart en leven wil vervullen.

 

Amen

 

HCzd42.14 HCzd42.14

 

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *