Leven in maatschappelijke verhoudingen als je in Christus bent – preek over Kolossenzen 3,22-4,1

Om de gedachten te prikkelen had ik een paar vragen op FB gezet. “Legt Paulus een tijdbom onder de slavernij?” “Hoe denk jij over ons slavernijverleden? En: moeten we Zwarte Piet afschaffen?”

Daar werd behoorlijk op gereageerd. “Geen maatschappelijke onderwerpen in de kerk!” “Ik zit niet te wachten op die Zwarte Piet discussie.” “Het moet hier niet gaan over wat je wel of niet doet, maar over Christus en zijn genade.”

Nee, het gaat vanmorgen niet over ‘ons slavernijverleden’. Het gaat ook niet over de zwarte slaafjes van Sinterklaas. Het gaat ook niet over politieke standpunten. En toch, de Bijbel spreekt hier wel degelijk over het maatschappelijke leven. Het gaat ook niet over regels, of over wat we moeten doen. En toch, het gaat wel over wat je doet en niet doet als je leeft uit Gods liefde.

Om al die misverstanden te vermijden gaan we opnieuw terug naar het begin. Paulus sprak in deze brief eerst over wie Jezus is. En aan het begin van dit hoofdstuk over: wáár Jezus is (aan de rechterhand van God). De beide keren hiervoor heb ik daarop gewezen, nu weer. In dit hoofdstuk maakt Paulus de overgang van geloof naar leven. Vanuit Gods vergeving en liefde, naar hoe Gods liefde doorwerkt in de praktijk. Dus: als je in Christus een nieuwe mens bent, hoe ziet dat er nu uit? Daar gaat het over vanaf vers 5: het nieuwe leven, als nieuwe mens.

 

Het belang van goede relaties 3 (en hoe je daar aan kunt bouwen):

Slaven en meesters dienen dezelfde Heer!

Dan doe je je werk voor die Heer (1); dan ben je beiden gelijk in die Heer (2).

 

1

In dit Bijbelgedeelte gebeurt wel degelijk iets revolutionairs: Paulus die zich rechtstreeks richt tot slaven! De meeste slaven konden zijn brieven niet eens lezen (alleen rijken kregen onderwijs en leerden lezen). Ook waren de meeste slaven er waarschijnlijk niet bij, als de brieven in de gemeente werden voorgelezen: ze moesten gewoon werken, een dag vrij was er niet bij. Toch spreekt Paulus rechtstreeks tot hen. Want hij kende ze wel, slaven die christen waren geworden. En dus gerespecteerdelichaamsdelen waren van het lichaam van Christus, zijn gemeente.

In de Grieks-Romeinse samenleving waren slaven niets anders dan een stuk gereedschap. Die visie wordt bijvoorbeeld verwoord door de Griekse wijsgeer Aristoteles. Slaven zijn niet meer dan een ding, een gebruiksvoorwerp. De stoïcijnen, opnieuw, waren iets verlichter, iets menselijker. Zij erkenden dat slaven mensen zijn, schepselen van de goden zoals iedereen. Tegen die achtergrond is het opmerkelijk, dat Paulus hen direct aanspreekt. Hij spreekt ze aan als verantwoordelijke personen, waardevol en volwaardig.

Toch ontkent hij de toenmalige maatschappelijke verhoudingen niet: slaven moeten gehoorzamen, zegt hij. Het geloof in Jezus brengt daar geen verandering in. Paulus houdt ze voor, hoe ze zich in die positie als gelovige moeten gedragen. Hij zegt er zelfs bij, dat zij hun heren niet in schijn moeten gehoorzamen. Letterlijk staat er: doe ‘geen ogendienst’. Gehoorzamen moet echt zijn, niet maar ‘voor het oog’, voor de vorm. Nee, slaven moeten hun meesters oprecht respecteren.

Is dat niet te veel gevraagd? Kun je dat van slaven eisen? Als jij gezien wordt als een stuk gereedschap, word je toch vanzelf iemand die doet alsof? Uiterlijk doe je misschien wat van je gevraagd wordt, innerlijk ga je dan toch vanzelf je meester haten?

Als Gods liefde je hart verovert, kom je los uit dat soort karakterverpesting. Net als alle andere gelovigen richt je je dan op wat boven is, waar Christus is. Hij die boven je aardse meester staat, achter hem. Een christen-slaaf of -slavin dient de meester, zegt Paulus, uit ontzag voor de Heer! En zó alsof het voor de Heer is en niet voor mensen. Dan doe je het vanzelf van harte. Want je doet het niet voor zo maar iemand. Je doet dat voor degene die jou heeft bevrijd, die zijn leven gaf voor jou. Voor hem wil je leven, en in hem ben je vrij. Vrij van onoprechtheid, van een hart vol haat- of wraakgevoelens. Zo’n slaaf is dus een vrij mens, omdat zijn echte heer Jezus is. En die Heer zal je dan ook belonen, zegt Paulus. Loon kregen slaven niet. Maar in dienst van je hemelse Heer ben je geen rechteloze meer. Je bent Gods kind, je mag een hemelse erfenis verwachten!

Je kunt dit toepassen, zoals vaak is gebeurd, op ons dagelijks werk. Of je nu in een bedrijf werkt of op school zit. Doe jij je werk voor Jezus? Dat is voor velen misschien best een lastige vraag. Zit je in de ICT-wereld of in vastgoed, dan ben je met techniek bezig, en met maximale winst. Of je zit voor een toets voor school, dan doe je dat omdat het nu eenmaal moet. Hoe doe je dan je werk ooit zo, dat je het voor Jezus doet? Daar heb ik geen eenvoudig antwoord op. Wel kun je zeggen: vanuit Gods liefde leef je oprecht. Je respecteert je leidinggevende of leraar, ook als hij/zij bot is of jou niet respecteert. Er zijn verhalen van slaven die vernederd werden, gegeseld, afgeranseld. Ze bleven hun meester eren, weigerden hem te gaan haten. Dan ben je pas echt vrij, als Jezus’ liefde jou zo beheerst!

 

2

En zo spreekt Paulus vervolgens ook die meesters aan. De overgang van slaven naar meesters maakt hij eigenlijk al in vers 25. Daar zie je al iets bijzonders. Iedereen die onrecht doet zal daarvoor boeten, daarbij wordt geen onderscheid gemaakt, zegt hij. Geen onderscheid!

Onrecht schept een band. Het is goed dat te bedenken, in de manier waarop je op onrecht reageert. Je ziet dat bij reacties op kindermishandeling of seksueel misbruik. “Zo iemand moeten ze voorgoed opsluiten, of liever nog: een kogel door zijn kop jagen!”, roepen we zo maar mee met de massa. Zo reageert de volkswoede. Gods Woord leert ons een andere houding. Alle mensen zijn zondaars, ik ook. Ik ben geen spat beter dan de geldgraaiers die superbonussen binnenhalen. Ik ben geen zier anders dan de ISIS-strijders die vrouwen verkrachten om ze te vernederen. Doe ik die dingen? Nee. Maar alleen doordat Jezus me heeft bevrijd van mijn oude mens, mijn razende ik.

Een tijd geleden kwam ik met enige regelmaat in een gevangenis. Ik sprak er met gedetineerden. Sommigen zeiden: als je wist wat ik heb gedaan, zou je niet met me willen praten. Ik zei steevast: ik hoef het niet te weten, en ik ben zelf niets beter. Ik herinner me een jongeman, die dat niet wilde geloven. Toen zei ik: Jezus heeft mij bevrijd van mijn slechte neigingen. Ik heb ze nog steeds, maar nu heerst hij in mijn hart. Gods liefde kan ook jou bevrijden. Daarom zijn alle mensen gelijk: omdat we allemaal totaal afhankelijk zijn van Gods vergeving en liefde.

En zo spreekt Paulus nu die heren, die slavenbezitters, aan. En hij gebruikt grote woorden: Geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is! Weet je wat hier eigenlijk staat? Geef ze rechtvaardigheid en gelijkheid! En dat zegt hij in die wereld, waarin slaven golden als niet meer dan een stuk gereedschap! Geef ze gerechtigheid! Terwijl slaven geen rechten hadden. Geef ze gelijkheid! Terwijl slaven nauwelijks mensen waren.

Deze woorden moeten als een bom zijn ingeslagen. Toch was dit helemaal niet vreemd, voor een Jood als Paulus. In de wetten van Israël had God zelf al de rechten van slaven vastgelegd: uniek in de wereld! Slavernij bestond, maar alleen voor een beperkte tijd, daarna kon je vrij komen. Heel scherp veroordeelt God ook de mensenhandel, het verkopen van mensen als vee. (Voorbeelden: Exodus 21,16; Deuteronomium 24,7; en lees vooral ook Leviticus 19!). Vanuit het Oude Testament lag er dus al een flinke aanklacht tegen slavernij en mensenhandel. In het N.T. wordt dat alleen nog maar sterker. Lees maar eens Paulus’ briefje aan Filemon, over de weggelopen slaaf Onesimus. Op de achtergrond daarvan staat oudtestamentische wetgeving. Zoals Deuteronomium 23, 16/17, dat bepaalde dat je een gevluchte slaaf in bescherming moest nemen. In de Grieks-Romeinse samenleving was zoiets ondenkbaar. Gevluchte slaven waren vogelvrij, die mocht je overal en altijd doden.

Dus al met al legt ook deze passage in Kol. een bom onder het hele instituut slavernij. Al was het wel een tijdbom, die nog eeuwenlang is blijven tikken. Pas in de 18e/19e eeuw kwam het tot officiële afschaffing van de slavernij. En hoe mooi dat ook is, nog steeds gaat het door, de vernedering van mensen. Hoeveel kinderarbeid zit er achter onze mobiele telefoons? Hoeveel miljoenen vangen mensensmokkelaars, terwijl vluchtelingen verdrinken op zee? Waar komt in de VS die boosheid vandaan, als men omstreden standbeelden wil neerhalen? En ja, hoezo maken witten zich druk, als sommigen gekwetst worden door zwarte Pieten? En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Als Gods genade je bevrijdt, laat je je niet meer leiden door wat ‘nationale cultuur’ heet. Er zit zoveel onrecht verborgen in onze conventies!

Gods liefde staat daar haaks op. Jij bent pas vrij, als zijn genade je hart gaat vervullen. En als die je zelfs zo ver brengt, dat je bereid bent je liefste standpunten te herzien. Niet mijn onderbuik regeert, Jezus is mijn Heer. Vrijheid en gelijkheid, ze komen regelrecht uit de Bijbel. Sterker, ze komen regelrecht uit Gods Vaderhart. En dus regelrecht uit het hart van ieder die Jezus als Heer kent. Zijn genade en vergeving, die bevrijden. Nieuwe mensen leven niet meer voor hun eigen gerief. Wij zijn gericht op wat boven is waar Christus is, hij is ons leven!

 

Amen

 

 

Kol. 3,22-4,1 (handout) Kol. 3,22-4,1 (kindmoment) Kol. 3,22-4,1Kol. 3,22-4,1

 

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *