Jezus’ opstanding in jouw leven – Preek over Lucas 24 & Filippenzen 2, 9-11 – Pasen 2015

“Wat zoeken jullie de levende bij de doden?!”

Kinderen, wie is er wel eens op een begraafplaats geweest?

Wat vond je daar van: verdrietig, vreemd, beetje eng, misschien mooi? Ja, begraafplaatsen zijn vaak wel mooi, mooi aangelegd, met paden, bomen, bloemen. Een soort park, waarin je kunt wandelen of op een bankje zitten. Maar nee, mooi is het toch niet, zo’n begraafplaats. Al dat prachtige groen kan niet verbloemen dat daar allemaal gestorven mensen liggen. Misschien ken je wel iemand die daar ligt: een oma of opa, misschien zelfs wel een kind. Gek he, dat die daar liggen, begraven, diep in de grond!

Sommige kinderen willen daar wel eens kijken. Hoe het er uit ziet, en of je die opa of dat kindje misschien kunt zien. Maar nee, als je dan even nadenkt, snap je wel: dat kan natuurlijk helemaal niet. Die mensen zijn daar eigenlijk niet echt meer. Hun lichaam werd op een dag stil en koud en stijf. Verschrikkelijk als je dat meemaakt, heel verdrietig. Diegene van wie je zoveel houdt, kan niet meer praten, je aankijken, lachen. Hij of zij is er dan niet echt meer, je echte ik, wie je bent, is bij God in de hemel. Dus daar op die begraafplaats, vind je hem/haar niet meer.

Waarom gaan die vrouwen dan toch naar dat graf van Jezus? Wat willen ze? In ons land leggen we gestorven mensen in een kist. Daar ging dat anders: doden werden gebalsemd. Er werd een soort mummie van ze gemaakt (dat heb je vast wel eens gezien van Egyptische farao’s). Een heel werk, dat op vrijdag niet helemaal af kwam. En daarom zijn ze hier.

En dan, ineens die engelen; die zeggen: wat zoeken jullie de levende bij de doden? Wat een rare vraag! Stel dat iemand dat tegen jou zou zeggen: wat zoek je nou op een begraafplaats? Veel mensen zouden zeggen: ik wil even alleen zijn met m’n verdriet, even aan diegene denken. Misschien zelfs zachtjes of in gedachten wat zeggen tegen die ander die ik zo mis. Deze vrouwen willen misschien wel net zoiets zeggen. Wij zijn gekomen, omdat we onze Jezus zo missen. Ons hart is nog zo vol van pijn, we zien hem nog steeds voor ons. Zijn bebloede hoofd, zijn ogen vol verdriet, zijn doorboorde handen. Onze Jezus…

Maar God stuurt deze engelen om mensen uit de droom te helpen. Mensen die gevangen zitten in doodsgedachten. Mensen die hun verdriet niet kunnen loslaten. Mensen die hun herinneringen vasthouden, het enige dat je nog hebt. Mensen die nog totaal niet vooruit kunnen kijken, geen toekomst zien. Zo vast zitten wij ook soms. Gevangen in je verdriet. Jouw wereld die is ingestort.

Wat zoeken jullie de levende bij de doden: het is bijna een verwijt. En ja, wees eerlijk, dat is het ook wel een beetje. Het is alsof God mensen door elkaar schudt: denk nou eens even na! Precies hetzelfde gebeurt later die dag nog een paar keer. Dan is het Jezus zelf, die twee van zijn leerlingen wakker schudt: “Hebben jullie zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip?!” En nog een keer, aan het eind van die zondag. Als Jezus plotseling midden tussen zijn leerlingen staat: “Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom twijfelen jullie?!”

Ja, dat klinkt inderdaad als een verwijt! En dat klopt ook wel. Want één woord komt hier wel drie, vier keer terug: ‘moest’. Hoor maar, eerst die engelen. Ze zeggen tegen de vrouwen: “Herinner u wat hij u gezegd heeft (…): de Mensenzoon moest worden uitgeleverd (…), moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.” Vervolgens Jezus zelf, tegen die twee: “Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om in zijn glorie binnen te gaan?” En nog een keer, tegen de elf discipelen: “Toen ik nog bij jullie was, heb ik gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de  Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.”

Dus dat is het antwoord op die vraag van de engelen. Wat zoeken jullie de levende bij de doden: jullie konden het toch weten?! Dit ‘moest’ zo allemaal! Omdat dat Gods plan was. Hij stuurde zijn Zoon naar deze wereld, om hem te laten sterven aan het kruis. Hij liet hem het graf in gaan, om hem te doen opstaan uit de dood. Dat moest: zó redt God de wereld, en ons.

En nu maken we nog een stap: kijk eens naar het einde van Lucas 24. Hij vertelt dat alsof het nog op dezelfde dag gebeurde als die zondag van Christus’ opstanding. Lees je dit verhaal vanaf het begin, vanaf de opstanding, door tot het eind, dan is het alsof het zich allemaal op diezelfde dag afspeelt. Opstanding, verschijningen, hemelvaart.

“Hij nam hen mee de stad uit, tot bij Betanië. Daar hief hij zijn handen op en zegende hen. Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.” En let nu eens op dat woord ‘opgenomen’. Jezus ging maar niet de hemel in (alsof hij een trap op klom, aanklopte en naar binnen ging), nee, hij werd in de hemel opgenomen. Het woord dat er staat, betekent zoiets als wat je ziet bij de huldiging van sporthelden. Je weet wel: zoals gebeurt bij sporters die op de Olympische Spelen goud, zilver of brons hebben gewonnen. Of bij de voetballers van Oranje, als ze terugkomen van de WK. Met gejuich worden ze binnengehaald.

Dát gebeurt nu ook bij Jezus: met gejuich wordt hij binnengehaald! Toegejuicht door de duizenden engelen in de hemel, als een erehaag bij de hemelpoort.

Want: Christus heeft gedaan wat hij moest doen! Op Goede Vrijdag lazen we: “Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis” (Filippenzen 2,5 e.v.). Gods Zoon kwam naar de aarde: hij vernederde zich. Hij, zelf God, werd een dienaar, een slaaf. Hij, Gods Zoon, ging er onderdoor, gehoorzaam tot de dood erop volgde. Die weg is hij gegaan, tot het bittere einde toe. Toen riep hij: volbracht! En hij legde het offer van zijn leven voor Gods troon.

En daarom schrijft Lucas: hij werd ‘opgenomen’ in de hemel. Als overwinnaar ingehaald, toegejuicht, met eer gekroond. En ook Paulus schrijft, als we verder lezen in Filippenzen 2: “Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer’, tot eer van God de Vader.”

Wat zoeken jullie de levende bij de doden? Hij moest deze weg toch gaan? Daarom is hij niet meer hier, hij is opgestaan en zal de hemel binnengaan. Als overwinnaar die van God een erenaam krijgt. Ver verheven boven alle beroemde en machtige mensen van de wereld.

Dit is het goede nieuws, het Paasevangelie. Uw en jouw Heer is niet bij de doden, daar moet je hem niet meer zoeken. Hij leeft, hij is de Heer, hij is de koning boven alle machten van de wereld. Wat betekent dat nu voor jou, mij?

De Amerikaanse voorganger Mike McKinley legt dat uit in zijn boek The Resurrection in Your Life (dat is: de opstanding niet van maar in jouw leven; dus: wat Jezus’ opstanding doet met jou). Hij zegt: “Wees eens eerlijk, misschien zit jij vast in diep ingevreten patronen van zonde en gebrokenheid. Dingen lijken maar niet te veranderen. En wees eens eerlijk: eigenlijk kun je je ook niet voorstellen wat er zou gebeuren als je die dingen echt zou opgeven. Dan heb jij de controle niet meer. Je zou nergens meer enig houvast aan hebben. Behalve aan Jezus! Alleen ben je er absoluut niet zeker van of je daar genoeg aan hebt! En dus, zelfs al weet je diep in jezelf, dat die zonde waar jij zo aan vasthoudt alle vreugde uit je leven zuigt, je geestelijke leven uitholt, misschien zelfs je huwelijk en andere relaties op de klippen jaagt, al je tijd opeist of je gezondheid ruïneert, toch wil je dat ene niet loslaten. Want diep in je ziel weet je, dat je het niet kunt missen.

Maar het ongelooflijke nieuws is, dat Jezus zijn gewonde handen naar jou uitstrekt. Hij geeft je zijn vergeving en zijn heilige Geest. Hij kan je in je hart grijpen, en die kanker uit je wegsnijden. Laat je opereren door die Geest: nu. En roep tot hem: nu!”

Dat gebeurt, als je gelooft in Jezus’ opstanding. Hij is opgestaan, dat is geen gebeurtenis 21 eeuwen ver weg, ver van je bed. Het is iets wat nú gebeurt, ook met jou. Hij is de overwinnaar, in hem overwin ook jij! De vraag is alleen: geloof je dat, echt?!

En dan nog iets. Deze wereld kan je bang maken. Geweld dat duizenden de dood injaagt of doet vluchten. Dreigende taal van machthebbers die met hun wapens kletteren, ook aan de grenzen van Europa. Hoe leef je in zo’n wereld, zonder angst? Door te geloven, echt te geloven, dat er maar één alle macht heeft. God heeft hem met eer en glorie binnengehaald in de hemel. God heeft hem de naam boven elke naam gegeven. Elke knie zal zich buigen voor hem; elke tong zal belijden: Jezus is Heer, tot eer van God, de Vader! Geen macht ter wereld kan hem meer van de troon stoten. Jouw leven, schrijft Paulus in het volgende Bijbelboek Kolossenzen, is geborgen, veilig in hem. Vind je daar rust in, kun je dan leven zonder angst? Zijn koninkrijk komt nu, het open graf zegt: zijn rijk is niet meer tegen te houden. En wij, wij zijn mensen met toekomst. Kerk van hoop!

Amen.

 

Luc. 24 & Filipp. 2 (Pasen 2015) Luc. 24 & Filipp. 2 (Pasen 2015) (preek gehouden Alphen aan den Rijn, Pasen 5 april 2015; duur: 23 minuten)

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *