“In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij” (n.a.v. G. van den Brink, En de aarde bracht voort)

Op 22 september 2017 vond een studiedag plaats rond het boek En de aarde bracht voort van dr. Gijsbert van den Brink. Hieronder het essay dat ik schreef in het kader van een ‘PEP-studieopdracht’ naar aanleiding van studiedag en boek.

 

Uit mijn eigen biografie

In mijn jeugd stond het naar interne pretentie vast, dat evolutionisten fantasten waren. Resultaten van wetenschappelijk onderzoek werden luchtig weggewuifd. Tijdens mijn middelbare school tijd begon de twijfel aan dit robuuste standpunt. We kregen lessen ‘natuurwetenschap in christelijk perspectief’, waar mijn interesse gewekt werd voor de wetenschapsfilosofische vooronderstellingen. Later, tijdens mijn opleiding theologie, las ik veel over kennisleer en visie op wetenschap en techniek, publicaties vanuit de achtergrond van wat nu de Stichting voor Christelijke Filosofie heet.[1]

In die periode veranderde mijn overtuiging in die zin, dat er meer nuances ontstonden. Enerzijds leerde ik een kritische houding tegenover het ‘sciëntisme’,[2] anderzijds erkende ik de plausibiliteit van (natuur-)wetenschappelijke kennis. Het naïeve standpunt van voorheen vond ik steeds minder bevredigend. Dit dwong mij op zoek te gaan naar hoe we ons het ontstaan van de kosmos en het leven op aarde dan wel moeten voorstellen.

Het boek van dr. Van den Brink En de aarde bracht voort gaf veel herkenning. Als predikant had ik al vanaf de jaren ’80 in preken en catechese het standpunt geïntegreerd, dat we de resultaten van de natuurwetenschap als juist dienen te beschouwen. Christenen moeten de wetenschap niet naïef afdoen als onzinnige fantasie. Wetenschappelijke kennis gebaseerd op empirisch onderzoek als een lachertje wegwuiven is een vorm van stupiditeit die zelf lachwekkend is.

Vanuit deze opvatting heb ik studenten onderwezen in de tijd dat ik in Amsterdam predikant was, en probeer ik nog steeds jongeren die dieper nadenken hiermee verder te helpen. Enkele jaren geleden organiseerde ik een catecheseproject, waarbij iemand van ForumC een schitterende presentatie hield over wat de wetenschap in grote lijnen heeft bereikt en hoe we daar vanuit christelijk perspectief op kunnen reageren.

Vragen bij “En de aarde bracht voort”

Uiteraard rijzen bij de benadering van dr. Van de Brink, waarmee ik in grote lijnen instem, ook vragen. Enkele daarvan wil ik beschrijven, waarbij ik bij voorbaat zeg dat wat in het boek vragen blijven ook voor mij vooralsnog onopgehelderde thema’s zijn.

Deze betreffen niet de interpretatie van de Bijbel. In een prekenserie over Genesis 1 tot en met 3 heb ik dankbaar gebruik gemaakt van recent Bijbelonderzoek. Alleen al de exacte vertaling en exegese roept ten aanzien van Genesis 1 het beeld op van een ‘kindertekening’ (zoals ik het op catechisatie wel uitleg). Op het niveau en in de taal- en verstaanskaders van de mens en cultuur van de eerste lezers wordt hier het verhaal verteld van een almachtige God, die het niet zijnde tot aanzijn roept.[3]

Het boek van dr. Van den Brink wordt gekenmerkt door een specifieke focus of vraagstelling, het kortst samengevat als: “Wat als het waar is?”. Al meteen in hoofdstuk 1 en 2 maakt de auteur duidelijk wat zijn standpunt is: het ís waar. Dit werkt echter als een frame waarin Van den Brink geloof en theologie moet proberen in te passen. Dit maakt dat er uiteindelijk geen eigen christelijke visie ontstaat. In feite is het een negatieve vraagstelling: als A (de wetenschap) waar is, dan is B (de klassieke Bijbelinterpretatie) onwaar. Maar de positieve uitkomst, hoe het dan wel zit, vooral als het gaat om de vraag naar de plaats van Goddelijke interventie, ontbreekt. Het is mijn voornemen deze vraag (‘hoe dan wel?’) uit te werken ten aanzien van twee clusters van thema’s: betreffende de Godsleer, en betreffende de antropologie. In het beperkte kader van dit essay bespreek ik alleen het eerste cluster van vragen.

Wat betreft de mensleer wil ik nu slechts kort de vraag aanstippen die bij mij rijst: hoe moeten we de overgang zien van ‘onbewust’ naar ‘bewust’ leven; en is er daarbij sprake van zoiets als een ‘ziel’ of ‘geest’. In Christelijke Dogmatiek stellen Van den Brink en Van der Kooi, dat er wellicht minder sprake is van een zelfstandige entiteit die ‘ziel’ heet dan we intuïtief denken. Daarom pleiten zij voor een “gematigd dualisme” dat holistisch en integratief van aard is, tegenover het “reductieve fysicalisme” van mensen als Dick Swaab die de menselijke geest reduceren tot neurofysiologische processen.[4] Ik kan me hier goed in vinden, maar tegelijk blijft hier een spanning met bijbels spreken over ziel, geest en lichaam. Kan het zijn, dat ook hier sprake is van een Goddelijke interventie, die betekent dat er een sprong gemaakt wordt in het evolutionaire proces van niet-bewust naar bewust of ‘bezield’ leven (vergelijk Gen. 2,7)? Dit vragencomplex laat ik nu rusten, om me te richten op de theologische kant, de leer over God.

De Godsleer

Deze is op minstens twee manieren in geding. De eerste betreft de vraag hoe de sprong van niet-leven naar leven voorgesteld moet worden. De tweede gaat om de vraag naar Gods goedheid. Beide vragen raken bovendien het thema van de voorzienigheid: in hoeverre is er sprake van doelmatigheid (teleologie) in het evolutionaire proces?

1: God en het leven

De roman De Procedure van Harry Mulish vertelt het verhaal van de mens die pogingen onderneemt om leven te creëren. In het verhaal zijn de vertellijnen over drie mensen die hier mee bezig zijn in elkaar verweven: over een celbioloog, een alchemist en een joodse rabbi. Alle drie proberen zij leven te maken. Wanneer hen dat lijkt te lukken, wordt dit hen fataal, een bekend motief in het oeuvre van Mulish: wie leven zoekt, vindt de dood; wat de mens ontketent, zal hem ten slotte overweldigen.

Aan dit verhaal moest ik denken, toen ik de vraag overwoog hoe we ons de sprong van niet-leven naar leven moeten voorstellen in een evolutionair proces. Mulish’ boeken delen de thematiek van de mens die de macht grijpt en daarin faalt. Dit lijkt exemplarisch voor alle pogingen van de mens om de oorsprong van het leven te verklaren. Ook in de wetenschap is dit een onopgehelderde kwestie. Voor zo ver ik kan zien, is de kennis over abiogenese en zelfreplicatie niet veel verder gekomen dan de stand van zaken in 1953, met het Miller-Urey-experiment.[5] Wel voegde de ontdekking van het DNA en RNA, beide nodig voor celvorming en replicatie, daar een belangrijke dimensie aan toe. Maar de logaritmische formules die de informatie in het DNA activeren, zijn (nog) niet alle ontcijferd. Ook verwacht men veel van de ‘black smokers’, heetwaterbronnen in de diepzee, die condities creëren die mogelijk gunstig zijn voor de vorming van levend materiaal. Maar zoals gezegd, hier is nog niets bewezen. Er is dus een groot gat in de kennis van het hoe van de overgang van niet-leven naar leven.

Ik begrijp de terughoudendheid van Van den Brink om deze gaten ‘op te vullen’ met een actief handelen van God. Hij wil het debat met evolutionisten weghouden uit een sfeer van polemische dilemma’s. Maar voor christenen zou dit zeer overtuigend kunnen zijn. Van den Brink komt echter niet verder dan te zeggen dat hij de mogelijkheid van Goddelijke interventie “niet onredelijk” acht.[6] Ik meen, dat we vanuit gelovig standpunt royaler kunnen spreken: in de sprong van niet-leven naar leven is God actief scheppend aan het werk. Wel beaam ik, dat we rekening dienen te houden met de mogelijkheid van nieuwe ontdekkingen in de toekomst, die nieuw licht kunnen werpen op deze aanname. Van een nieuwe ‘copernicaanse wending’ behoeven we dan echter niet te spreken, omdat we inmiddels geleerd hebben de resultaten van wetenschappelijk onderzoek voluit serieus te nemen. Dat Goddelijke interventies mogelijk zijn, moeten we iet inbrengen in het kader van argumentatie binnen een wetenschappelijk discours. Pure evolutionisten staan wat betreft de voorvragen op het standpunt, dat de factor God dient te worden uitgesloten.

2: God en lijden

Van den Brink maakt in zijn boek veel werk van dit probleem. Als God in de weg van natuurlijke selectie het leven tot ontwikkeling bracht, hoe zit het dan met de goedheid van God, gelet op het proces van natuurlijke selectie, dat immers een enorme hoeveelheid dierlijk leed veronderstelt?

Mijn vraag hierbij is, of deze vraagstelling niet meer gevolg is van de laat-moderne cultuur dan dat hier sprake is van een theologisch probleem. In onze samenleving kennen wij hogere waarde toe aan dierenwelzijn dan ooit. Vanuit evolutionair standpunt begrijpelijk, mensen en dieren zijn familie van elkaar, maar is de neocartesiaanse visie dat dieren niet kunnen lijden niet net zo min vast te stellen als dat we kunnen vaststellen dat ze het wel kunnen? Vanuit de dagelijkse ervaring lijkt dit laatste echter wel aannemelijk (dieren reageren op pijnprikkels).

Maar waar het vooral om gaat, is dat hier een eenzijdig (‘aardig’) Godsbeeld verondersteld wordt, passend bij het huidige klimaat waarin we liever en uitsluitend over Gods liefde spreken. Kunnen wij God dus wel begrijpen? Precies die vraag stelde dr. Eric Peels tijdens de studiedag op 22 september jl.: “wie is onze God?” In dit verband kunnen we onderscheid maken tussen kwaad als zonde of onrecht, en kwaad als lijden. God is goed in die zin, dat in hem geen onrecht is (Ps. 92,16). Hij wíl het kwade niet, hij dóet geen onrecht, in hem is “geen spoor van duisternis” (1 Joh. 1,5). Tegelijk richt hij onheil aan op aarde, door te oordelen en te straffen, zoals bijvoorbeeld indringend naar voren komt in de exodusgeschiedenis. God zegt tegen Mozes: “Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten”, en zo “de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen zwaar straffen”, zodat zij “zullen beseffen dat ik de HEER ben” (Ex. 7, 3-5). Voor die macht beven de volken van angst (Joz. 2,11), maar “die in de hemel troont lacht”, en hij laat ze door zijn gezalfde “breken met een ijzeren staf” (Psalm 2).

Dit beeld van God zou gemakkelijk met vele andere voorbeelden aan te vullen zijn. God is liefde, tegelijk is Gods oordeel realiteit. Zozeer zelfs dat hij zijn liefde juist in zijn oordeel openbaart, en wel het meest pregnant in het kruis van Christus. Niet alleen omdat God daarin zijn toorn en oordeel over de zonden concentreert, ook omdat de dood van Jezus het gevolg is van volstrekt onrechtvaardige rechtspraak. In dat plan van God krijgen de boze daden van mensen nieuwe betekenis, als God deze dood gebruikt als middel tot verzoening.

Als dat van menselijk kwaad kan gelden, dan toch zeker ook van leed dat schepselen ondergaan? Is hier niet van toepassing wat we lezen in Romeinen 8, dat de schepping aan zinloosheid is onderworpen “door hem die haar daaraan heeft onderworpen” (vers 20)?

3: Voorzienigheid en doelmatigheid

In hoeverre is het evolutionaire proces doelmatig? Deze vraag stel ik in verband met wat men noemt het ‘antropisch principe’. Deze term wordt door vele auteurs gebruikt om het opvallend ‘precies afgesteld zijn’ van de ontelbare componenten van de natuurlijke werkelijkheid aan te duiden.[7] Het gaat hier om “de schijnbaar wonderbaarlijke overeenstemming van getalswaarden die de natuur aan haar fundamentele constanten heeft toegekend”, en die essentieel zijn voor het ontstaan van leven en die de condities vormen voor menselijk leven.

Daarnaast is te wijzen op de onwaarschijnlijke complexiteit van levende organismen, van het menselijk lichaam tot dat van levende cellen, op het onbegrijpelijke evenwicht van het z.g. ecologische systeem waarin alles van alles afhankelijk is, of op het krachtenveld waarin sterren en planeten zich tot elkaar verhouden in een voortdurende cyclus van aantrekken en afstoten.

Alister McGrath wijst erop, dat christenen deze precaire balanssituaties niet ‘triomfantelijk’ moeten aangrijpen alsof ze iets zouden ‘bewijzen’. Wel zouden we hier niet moeten aarzelen om deze constanten te plaatsen in een theïstisch perspectief. Opnieuw, niet om er mee te argumenteren in een extern debat, wel om onze geloofsverwondering in de Schepper levend te houden. Want ook deze verschijnselen zijn wetenschappelijk nog allerminst opgehelderd. We kunnen de realiteit van een evolutionair proces veronderstellen, maar ontdekken tevens, dat hierin een opmerkelijke doelmatigheid en complexiteit te herkennen is, die we moeiteloos kunnen inpassen in een theïstisch kader.

Ik kan me goed vinden in wat Van den Brink hierover schrijft in hoofdstuk 8, waar hij spreekt over ‘evolutionaire convergentie’ (286). Dit is het verschijnsel, dat wetenschappelijk ook is aangetoond, dat evolutionaire processen onafhankelijk van elkaar het zelfde verloop hebben en tot vergelijkbare uitkomsten leiden. Hij noemt o.a. het voorbeeld van hagedissen en slangen die het eitje binnen in de moeder bewaren totdat het volledig ontwikkelde jong geboren is, een ‘techniek’ die “zo’n honderdmaal afzonderlijk geëvolueerd” is. Dit vormt nog geen bewijs voor een voorzienige leiding van de Schepper, wel laat dit ruimte voor een dergelijk ingrijpen. Wat ik echter bij Van den Brink mis, is de ruime erkenning dat dit op een scheppend handelen van God wijst. Hij blijft hier terughoudend, in het kader van zijn debat met evolutionisten begrijpelijk maar naar orthodoxe christenen toe m.i. te weinig. Juist hier zou ik meer nadruk op de mogelijkheid van een combinatie van geloof en erkenning van evolutie verwachten.

“Het was Gods bedoeling dat ze hem al tastend zouden kunnen vinden”

Eén van de boeiendste aspecten van het boek van Van den Brink is wat mij betreft, dat hij Bijbelgelovige christenen helpt deuren te openen waar ze geneigd waren slechts gesloten deuren te zien. Dit proces zie ik als een teken van de ‘bijna-Goddelijkheid’ van de mens (Psalm 8). Of, zoals Paulus tegen de wetenschappelijke elite in Athene zegt: “Want wij zijn ook van zijn geslacht” (Hand. 17,28 vert. NBG ’51). De mens is als homo sapiens een onderzoekend wezen, dat de geheimenissen van God steeds verder probeert te ontsluiten. Het boek En de aarde bracht voort zie ik als een moedige poging om in deze zoektocht flinke stappen te zetten. Toch blijven er raadselen, waarin we de Almachtige ontwaren als de ondoorgrondelijke. Tegenover hem zullen wij onszelf altijd als schepselen hebben te zien. Maar ik verlang naar het zalige moment waarop ik “volledig zal kennen, zoals ik zelf gekend ben”. Voor het heden resten ons “geloof, hoop en liefde” (I Kor. 13,13).

 

 

[1] Zoals de publicaties van dr. E. Schuurman, e.a.

[2] Sciëntisme als de houding of ideologie die van positivistische wetenschap de oplossing van alle problemen verwacht.

[3] Zie J.J.T. Doedens, Taal en teken van trouw (over vorm en functie van Genesis 1), in: C. Trimp (red.), Woord op Schrift (theologische reflecties over het gezag van de Bijbel), Kampen 2002. Reeds de vertaling van de Hebreeuwse tekst leidt tot deze conclusie. Eén voorbeeld: het woord gewelf in Gen. 1,6 betekent ‘platgeslagen koperen plaat/koepel’. De voorstelling is, dat water van water gescheiden moet worden met behulp van niet waterdoorlatend materiaal. Het enige in de toenmalige wereld beschikbare middel voor dat doel is dat van koperen platen. Deze koepel lijkt in vers 14 een soort ‘plafond’ waaraan God de hemellichten bevestigt, opnieuw een primitivistisch voorwetenschappelijk en op menselijk-naïeve waarneming berustend beeld.

[4] Dr. G. van den Brink en dr. C van der Kooi, Christelijke Dogmatiek, Zoetermeer (2012), 250

[5] Deze onderzoekers bootsten een verondersteld vroege-aarde-milieu na met een mengsel van waterdamp, methaan, ammoniak en waterstofgas waarin elektrische ontladingen werden opgewekt. Na verloop van tijd bleek er een aantal organische moleculen te zijn ontstaan, inclusief aminozuren (de bouwstenen van eiwitten), de primitieve voorlopers van DNA. Bron: wikipedia op het lemma Abiogenese.

[6] Zie blz. 74 en verder.

[7] Zie voor een beschrijving hiervan bijv. Alister McGrath, Geloof & Natuurwetenschap. Een introductie, Kampen (2001), 194 e.v.

You may also like...

1 reactie

  1. Jaap van der Kroef schreef:

    Klaas, mooi geschreven, ik deel jouw mening over wetenschappelijk bewijs. Ik denk ook dat God aan het begin staat en aan het eind. Maar ook stuurt tijdens evolutie. Misschien wel meer als we denken en kunnen waarnemen. De geest in een mens is iets anders, veel meer, dan het denk vermogen. We kunnen met onze geest contact leggen met God. God is dus ook in onze hersenen en kan daarin sturen. En met onze geest kunnen we ervaren dat God blij met ons is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *