HC zondag 45

“Te druk om niet te bidden”. Bidden, het komt er niet van. Ja, we hebben onze gewoonte-gebeden, zoals voor het eten; maar een echt gebedsléven? Intensief in gesprek met God zijn is toch wat anders. Dan denk ik aan Jezus die de stilte zocht om met zijn Vader te spreken. Maar die rust, die hebben we nu juist vaak niet. Je bent moe, het kost te veel energie om er echt voor te gaan zitten, laat staan te knielen. “Te druk om niet te bidden”. Die titel zegt: ben je moe en druk, dan is het juist de hoogste tijd om te gaan bidden! Tijd met God doorbrengen, alles met hem delen, hoe leer je dat? Hoe komt het, dat we soms onwennig staan tegenover stille tijd, of vasten? Laten we deze zondagen over het gebed benutten: als praktijkschool voor het bidden.

2 In de leerschool van het gebed: 1. waarom we moeten bidden; 2. hoe we mogen bidden; 3. wat we kunnen bidden.

1. Men zegt wel: nood leert bidden. Maar als je pas in nood bidt, begin je te laat. 3.1 Niet nood, maar Gods genade leert je bidden. Of beter gezegd: besef dat je afhankelijk bent van Gods vergeving. Zó wordt bidden echt iets van diepe dankbaarheid. Als je erkent dat je afhankelijk bent van Christus’ genade en Geest. 3.2 Zoals antwoord 117 zegt: “dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen”.

Rom. 8 gaat in op die nood. Het gaat over de twee polen waartussen je als gelovige leeft: lijden en glorie. 4.1 Lijden en luister (zoals de NBV zegt) zijn beide de werkelijkheid waarin je leeft. Ben je verbonden met Christus, in geloof één met hem, dan deel je in zijn lijden. Om ook met hem te delen in zijn luister, zegt Paulus in vs. 17. Jezus zelf kwam via lijden tot zijn glorie. Die weg ga jij ook als je bij Jezus hoort. 4.2 Door de diepte van lijden en pijn naar de hoogte van de overwinning.

5.1 Paulus laat dat dan eerst zien als het gaat om de schepping. De schepping is aan zinloosheid onderworpen maar zal daar ook van bevrijd worden. Aan zinloosheid onderworpen: hetzelfde als wat de Prediker zegt (alles is ijdel, zinloos). God zelf, zegt Paulus, heeft de wereld aan die vloek onderworpen. Om de zonde van ons mensen vervloekte God de aarde. Nu leven wij in een gebroken wereld. Je merkt het, vroeg of laat kom je in aanraking met ziekte, verdriet en dood. Je kunt er niet omheen: dat ís de werkelijkheid.

Máár: niet de enige! Want ook die schepping ziet uit naar de bevrijding. De schepping wordt vergeleken met publiek dat wacht op de onthulling van een kunstwerk. 5.2 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn (vs 19)! Er is dus hoop: zinloos is niet hopeloos. De wereld van nu zucht en kreunt onder het geweld van lijden en dood. Maar het is als het kreunen van een vrouw die een kind ter wereld brengt. De schepping kreunt van pijn, maar het is de pijn van de geboorte van een nieuwe wereld! Dat zuchten is dus ook verlangen: uitzien naar Gods nieuwe wereld.

6.1 Dat nood zou leren bidden, is dus niet helemaal waar. Laten we eerlijk zijn: nood kan je ook leren vloeken. Maar als je de echte nood van ons bestaan leert zien, leer je wel bidden. Dan zie je de wortel van alle problemen in de wereld. De oorzaak van vervuiling, honger en oorlog, criminaliteit en zinloos geweld. Maar ook de oorzaak van ongeneeslijke ziekten, van lijden en dood in je eigen leven. Al die nood komt voort uit de vloek van God. En juist als je dat weet, ga je leren bidden. Bij die God moet je zijn! Hij is niet de God van de vloek maar van de hoop. 6.2 Niet nood maar vooral hoop leert je bidden. Er komt een nieuwe wereld, zeker weten! Bidden is mee-zuchten met Gods schepping. Je oog en hart gericht op de geboorte van een nieuwe wereld.

2. 7.1 En net als Gods schepping zuchten ook wij. Zélfs wij, zegt Paulus eigenlijk (vers 23). Zelfs: alsof hij zegt, dat dat eigenlijk niet zo zou moeten zijn, niet zo hoeft te zijn. Dat klopt: want wij hebben toch een voorschot gekregen?! Een voorschot van die nieuwe wereld, dat nieuwe leven. 7.2 De Heilige Geest! Die Geest is een voorschot, letterlijk staat er: eerstelingsgave. Dat doet meteen denken aan het oogstfeest van Israël. Het eerste deel van de oogst, de “eerstelingen” brachten ze in de tempel. Dat eerste gaven ze aan God, omdat eigenlijk alles van God is. Zo is ook Gods Geest voor ons het eerste bewijs van de volkomen glorie en overwinning. Die Geest woont in je, en zo deel je nu al in eeuwig leven. 7.3 Hemelse glorie is al bij en in ons.

Waarom zouden wij dan zuchten en steunen, als we al iets van Gods glorie in ons hebben! Dat komt doordat we juist door die Geest van God in ons des te meer het gemis gaan ervaren. Dat hemelse leven in ons herinnert ons er aan, dat we er nog niet zijn. Dat onze redding nog niet af is. Door dat nieuwe leven in ons, de Heilige Geest, voel je dagelijks de pijn. Van de onvolmaaktheid van dit leven. We verlangen naar de volmaaktheid en ervaren tegelijk aan de lijve onze onvolmaaktheid. Aan de lijve: juist in je lichaam voel je elke dag, dat je er nog bent. Volmaaktheid zul je pas kennen als onze volkomen verlossing aanbreekt (vers 23). 8.1 Nu blijven we nog a.h.w. ‘half-gered’; of beter: onze redding is nog niet compleet. Zo leer je als christen leven met het onvolmaakte.

Juist dat vinden velen zo moeilijk. Als je jong bent, of onervaren, kun je er zelfs op stuk lopen. Je hebt je idealen, je hebt jouw beeld van hoe het zou moeten zijn, ook in de kerk. Maar er zijn ziekten en handicaps, en ook zonden en kwaad. Dat botst allemaal zo met wat je van God verwacht! Je vraagt je af: hoe kan God dat allemaal laten gebeuren! 8.2 Wanneer komt daar ’s een eind aan! Alleen door geloof leer je dat dragen: want geloof is ook hoop. In die hoop zijn we gered, zegt Paulus in vers 24; zijn we gered! In geloof, door gelovig aannemen van Gods genade en Geest, zijn beide werkelijkheid. Die gebrokenheid, maar die niet alleen: ook je volkomen redding. 8.3 Zeker zijn van de overwinning, midden in een leven van nog één en al onvolmaaktheid.

En dat geloof, die hoop, doet je bidden. Hopen is geloven wat je nog niet met je ogen ziet; geloven is zien met je hart. 9.1 Daarom blijven we vol verwachting, zegt Paulus (vers 25): weer een link naar het gebed. We houden vol juist door te blijven verwachten wat God belooft. Dankzij dat voorschot van de Geest die hij gaf, de garantie van de totale overwinning. Op lijden volgt bevrijding, op pijn en verdriet de geboorte van een nieuwe wereld. Zo leven wij tussen het ‘al wel’ en het ‘nog niet’ van onze redding. In een kapot bestaan, toch bevrijd, te midden van lijden, toch met zicht op de glorie. De hoop brengt beide bij elkaar, verbindt ze met elkaar. 9.2 Het is belangrijk, dat je die balans vindt. Aan de ene kant zijn er mensen die te veel nadruk leggen op dat geduld, die volharding. Maar dan kun je uitkomen bij een vreugdeloos geloof, gebukt onder zonde en dood. 9.3 Dan word je makkelijk passief en pessimistisch. Dan ga je lijdelijk om met je zondig zijn: je gelooft niet echt, dat Gods Geest je vernieuwt. Dan wordt het belijden van je zonden en gebed om vergeving een verplicht nummer. Om niet te zeggen: een dooddoener. Dan wordt je beleving van Gods genade ondiep, je vertrouwt niet echt op wat God belooft.

9.4 Maar er zijn ook christenen die juist niet kunnen wachten. Ze willen vooruit grijpen op wat nog buiten ons bereik ligt. Je laat je zó meevoeren in een soort overwinningsroes, dat je zelf de macht van God grijpt. We moeten niet doen alsof we al beschikken over volmaaktheid. En alsof onze lichamen niet meer zullen hoeven lijden onder ziekte, pijn of ouderdom. Ook dan leer je niet omgaan met die andere werkelijkheid die er ook nog is: de gebrokenheid. Dan laat je niet in Gods hand wat hem alleen toekomt. Hij hééft ons in Christus zeker bevrijd maar zal die redding nog verder voltooien.

Zo moeten we ons bidden zien: in het spanningsveld ‘al verlost’ en ‘nog niet volmaakt’. Het spanningsveld van de overwinning die in Christus is. En aan de andere kant het volhardend wachten op de volle heerlijkheid die komt. Zo krijg je zicht op hoe we mogen bidden. Bidden is leven in verwachting: verwachten met volharding. Bidden is de stem van dat verlangen: verlangen naar de volle bevrijding.

3. Hoe dan te bidden? 10.1 De Geest helpt ons in onze zwakheid. Wij weten immers niet wat wij in ons gebed tegen God moeten zeggen (vers 26). Dat is onze zwakheid: we weten niet wat we moeten bidden. Wat moet je bidden: of God je verdriet, je ziekte en pijn wegneemt? Je strijd wegneemt, je probleem oplost? Of dat hij je kracht geeft om dat te dragen? 10.2 Beide worden ons geleerd in de Bijbel. Jakobus zegt, dat we moeten volharden als we lijden en moeten bidden om kracht. 10.3 En Jezus, dat we ons kruis op ons moeten nemen bij het volgen van hem. Maar dezelfde Jakobus houdt ons voor, dat het gelovige gebed de zieke zal oprichten. 10.4 En Jezus zegt: wie bidt ontvangt. Wat moet je bidden: wij weten het niet, Gods Geest in je weet het. Hij is de Geest van het bidden. Hij doet ons roepen Abba, Vader (vers 15)! 11.1 Zo zucht ook de Geest: met “woordloos zuchten” (vers 26). Dat is: zonder woorden brengt hij jouw gebed voor God. Alsof hij zich met ons zuchten verenigt, onze verzuchtingen tot de zijne maakt. Zo is het ook! Hij verenigt zich met onze pijn en ons lijden. Zoals hij zich tegelijk verenigt met ons verlangen naar de uiteindelijke bevrijding daarvan. Wij en hij zuchten samen. Zo zijn onze gebeden die zuchten-zonder-woorden van de Geest. Zonder woorden; dat is niet: zonder betekenis. 11.2 Want de Vader die onze harten doorgrondt, weet wat zijn Geest bedoelt (vers 27!). Hij verstaat dat woordloos zuchten. Hij hoort daarin de liefde van Christus voor zijn kinderen. Zo pleit hij voor ons: zodat God alles wat ons overkomt gebruikt in ons voordeel. Wij weten dat voor wie God liefhebben alles bijdraagt aan het goede (“meewerkt ten goede”). Dat roept vaak verzet op: is alles wat mij overkomt goed voor mij? Maar hier gaat ’t over ons bidden. We krijgen geen antwoord op de vraag van het waarom. Daarom weten we niet wat we moeten bidden. Maar dat moet je bidden niet doen verstommen! Want de Geest vertaalt jouw gebeden. 11.3 En God hoort daarin dan de stem van zijn Zoon, die hij liefheeft. Zo zoekt hij het goede voor ons.

Moet je bidden of God jouw problemen en verdriet wegneemt? Of om kracht om die dingen te dragen? Moet je bidden om genezing? Of om kracht om ook in je lijden zijn naam groot te maken? Wij weten het niet, wij kennen Gods plannen niet. 12.1 Daarom moet je allebei doen: bidden om genezing, oplossing van je problemen. Tegelijk om kracht, om rust te vinden in Gods liefde. Bidden is ook loslaten, je zorgen en moeiten in Gods hand leggen. En de uitkomst aan hem overlaten. Als je die rust vindt, zul je ook zijn verhoring herkennen. Ik ken iemand die genezen is van kanker en dat als verhoring ziet van intensief gebed, terecht! Maar iemand anders die ging sterven beleed: mijn ziekte bracht mij dichter bij God. Zo mocht diegene van Gods genade getuigen. Wat moeten we bidden? Gods Geest voedt je bidden; en hij past jouw bidden in in Gods bedoelingen met je leven. Als wij nu maar bidden: gelovig, afhankelijk, vol verwachting. Als kind aan huis bij de Vader. God is groot en machtig. En hij heeft je lief. Lijden en overwinning, in beide delen wij. 12.2 Maar in dit alles (in lijden en verdriet dus!) zijn wij overwinnaars, in Hem die ons heeft liefgehad (vers 37)!

We zagen waarom we moeten bidden: we zijn in nood maar niet zonder hoop. Hoe we mogen bidden: met de Geest als eerstelingsgave verlangend naar de glorie die komt. En wat we moeten bidden: om verlossing langs de weg die God met ons wil gaan. Die weg, de weg van lijden naar heerlijkheid, is de weg waarop God je naar zijn glorie brengt. Bidden is dat je dat gelooft, daarnaar uitziet, zo je leven in Gods hand legt. Bidt alsof je leven ervan afhangt! En het hangt er van af: van de God tot wie je bidt.

Amen

1390783237_docx_win1390783261_pptx_win

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *