Een 21e eeuwse volgeling van Luther: Timothy Keller – preek over Heid. Cat. zondag 5 & 6

Er was een Bijbelcursus voor mensen die belangstelling hadden voor het geloof. Op de eerste avond vroeg de cursusleider aan de groep: wat is jouw grootste probleem? Waar heb jij het meeste behoefte aan in je leven? Hij hoopte op diepzinnige antwoorden, over de zin van het leven of zo. Een vrouw reageerde: mijn grootste probleem: hoe ik sneller kan afvallen! Deze anekdote (uit een boek van dr. Stefan Paas) laat zien hoe christenen vaak denken. We denken, dat mensen die niet geloven een probleem hebben. Nou, veel mensen hebben helemaal geen probleem. De meeste mensen hebben een prima leventje, werk, een gezin, een fijn huis. En natuurlijk, ook van die praktische probleempjes: hoe kan ik afvallen…

Wat maakt dat we denken dat mensen die niet geloven wel een probleem moeten hebben? En dat gelovigen daar het antwoord op denken te weten? Dat komt uiteraard wel ergens vandaan. We staan dit jaar veel stil bij Luther, en de reformatie die met hem 500 jaar geleden begon. Voor Luther was hét grote probleem: de toorn van God over zijn zonden. Misschien ken je wel een beetje zijn verhaal. Hoe hij eerst in grote angst leefde, angst voor Gods straf. En vooral angst voor de duivel, die hem influisterde dat God hem in de hel zou gooien. Tijdens een onweersbui kroop Maarten Luther over de vloer van angst. In de donderslagen hoorde hij de woedende stem van God. Doodsbang was hij, bang dat de bliksem van Gods toorn hem elk moment kon treffen. Kun jij je dat vandaag nog voorstellen: dat je angstig zou wegkruipen, bang voor Gods toorn? Maar Luther was een kind van zijn tijd. Angst voor Gods straf en de duivel zat diep ingebakken in het middeleeuwse geloof.

En iets van die geloofsbeleving vinden we ook in de Heidelbergse Catechismus. Wat is het grootste probleem van alle mensen? Het antwoord van de Catechismus is: we zijn reddeloos verloren, tenzij er een verlosser komt. Het probleem van alle mensen is: hoe komt het weer goed tussen God en jou? In zondag 5/6 voel je dat onverbiddelijke: God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. Dus bevinden wij mensen ons op een doodlopende weg. Hoe kunnen wij ooit aan Gods strenge eis voldoen? Dat kunnen we niet zelf, wij maken onze schuld alleen maar groter, elke dag dat we leven. Dus zijn we verloren, tot de ondergang gedoemd. Tenzij…, tenzij er een redder komt, die groter is dan mensen, zo groot als God zelf. God zelf geeft die redder, zijn Zoon, Jezus Christus.

Zo volgen zondag 5 & 6 de denklijn van de Middeleeuwen. In navolging van de grote middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterbury. Die uitleg volgde dus ook Luther. Denken in termen van betaling; of van God als strenge rechter, of als een schuldeiser. Dus dat is het probleem van mensen: onze verlorenheid in onze schuld voor God.

Maar wie ligt daar tegenwoordig nog wakker van? Wie kruipt er nog over de vloer van angst, voor de toorn en straf van God? Mensen die niet in God geloven vast niet. Maar, en dat staat daar niet los van, beleven gelovigen het nog wel zo? Hebben de meeste christenen niet meer met God als een God van liefde? “Jezus is voor mijn zonden gestorven, daarom ben ik Gods kind, hij is altijd bij mij”. Dat lijkt zo’n beetje de meest diepzinnige samenvatting van ons geloof vandaag te zijn. Of is dat te snel gezegd? Wat houdt de mensen vandaag het meest bezig? En zou dat misschien ook christenen het meest raken?

Die vragen brengen me bij een bekende 21e-eeuwse volgeling van Luther, Timothy Keller. In 1997 maakte ik met een groep uit Nederland kennis met hem, en met zijn preken en visie. Midden in Manhattan (New York City) was hij 8 jaar daarvoor gestart met de Redeemer Presbyterian Church. We waren diep onder de indruk. In een auditorium van een middelbare school kwam een paar duizend bezoekers samen. Allemaal jonge mensen uit het bankendistrict (‘Wall Street’). En uit de culturele en artistieke wereld van de theaters en podia van Broadway. Wat bracht al die mensen daar? Wat is het geheim van die kerk, en van de preken van Keller?

Handelingen 17 kan daar licht op werpen. Als je naar Paulus’ toespraak tot de Atheners kijkt, zie je twee dingen. Het eerste is iets wat Keller ook sterk benadrukt: spreek de taal van je toehoorders. Paulus begint bij het punt waarop de Atheners zitten: hun religie! In de dagen daarvoor was Paulus door de stad gelopen. En toen was hem één ding opgevallen: overal tempels en godenbeelden. Wat deed dat met hem? Hij raakte hevig verontwaardigd, lees je in vers 16. Er staat een woord dat ook wordt gebruikt als het over Gods toorn gaat. Vooral Gods toorn over afgodsdienst. Het is net zoiets als wat je kunt voelen, als iemand knetterhard vloekt, met Gods naam. Dat snijdt als een mes door je ziel, wat jou heilig is wordt vertrapt.

Maar terwijl Paulus dat voelt, begint hij zijn toespraak toch heel anders. Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u (…) bent. Dus terwijl de Grieken voor zijn gevoel vloeken met wat heilig is, prijst hij ze! Is dat een trucje, een halve leugen, om de Atheners te paaien? Zo zou ik dat niet willen noemen. Het is eerder zo, dat Paulus probeert aan te knopen bij waar die mensen zitten. Ze zijn namelijk heel godsdienstig, gelovig. Ja, het is een afgodengeloof, maar toch: geloof. Dat hebben Paulus en de Atheners tenminste gemeen: allebei geloven ze.

En dan gaat Paulus een stap verder. Hij toont de innerlijke zwakte van dat geloof aan. Want het lijkt heel mooi, dat ‘altaar voor de onbekende god’, maar juist dat is hun valkuil. Ze hebben zoveel goden, dat ze er niet zeker van zijn dat ze er niet één over het hoofd zien. Voor de zekerheid dus maar een extra altaar! En dat gebruikt Paulus: die vergeten god verkondig ik u! Hij is de God die de wereld heeft gemaakt. Maar die God woont niet in een tempel en heeft geen behoefte aan offers. Hij laat zich niet bedienen door mensenhanden, zegt Paulus. Er staat eigenlijk: verzorgen. Zoals een patiënt in het ziekenhuis, die verzorgd moet worden. Dat laat zien hoe belachelijk die afgoden zijn: alsof ze dood gaan als je ze niet verzorgt. Als planten die je water moet geven, anders verdorren ze. Bij deze God, zegt Paulus, is het andersom! Niet hij wordt verzorgd door mensen, mensen worden verzorgd door hem! Want hij is de schepper: dat jij leeft, heb je aan hem te danken. En dat is het grote verschil tussen God en de afgoden.

Precies dat is ook een hoofdlijn in de boodschap van Tim Keller. Hij spreekt de taal van zijn gehoor, door hun leefwereld heel goed te kennen. Hij weet in wat voor cultuur zij leven. Maar tegelijk windt hij er geen doekjes om: dat is een wereld van afgoden (van ‘religie’). En dat zijn dus goden die alleen kunnen bestaan als je ze dagelijks voedt en verzorgt. En nooit hebben ze genoeg, ze eisen alles en zijn nooit tevreden, en zo zuigen ze je leeg. Dat is de wereld ook van moderne mensen. Geld, status, winst moeten maken, presteren, uitblinken, dat zijn de moderne goden. En genot, drank, seks: middelen om je stress te verdoven. Die goden hebben nooit genoeg, steeds sterkere prikkels zijn nodig om bevredigd te worden.

Dáártegenover stelt Keller dan de God die niet eist maar geeft. Die niet verzorgd wordt maar zelf zorgt, met genade die bevrijdt. Een bekende uitspraak van hem laat dat goed zien. “Het evangelie gaat niet over wat wij (moeten) doen, maar over wat voor ons gedaan ís”.

“Het evangelie gaat niet over wat wij (moeten) doen, maar over wat voor ons gedaan ís”

Dat is het eerste kenmerk van Kellers preken. Hij sluit aan bij de cultuur van de New Yorkers, maar laat ook zien hoe afgodisch die is. En hoe het evangelie je juist van die veeleisende afgoden bevrijdt.

 

Het tweede wat we zien bij Keller is dan hoe hij de mensen voor een keus plaatst. Nooit zijn zijn preken vrijblijvend, net zo min als het evangelie dat is. Ook dat zie je in Handelingen 17. Paulus verzwijgt niet Gods oordeel over de mensheid. Eerst laat hij zien dat de God die hij verkondigt heel dichtbij is. Dat alle mensen uit hem voortkomen, zodat alle mensen een soort familie van hem zijn. Maar na die band die alle mensen met elkaar delen, komt hij met een waarschuwing. Langs die God kun je niet heen leven: hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen.

En dit brengt ons weer terug bij waar we mee begonnen. Wat is het echte probleem van alle mensen? Dat is dat niemand op eigen kracht God terugvindt. Dat we allemaal geboren zondaars, afgodendienaars, zijn, als God ons niet redt. Dat ons leven doodloopt, als Gods vergeving je niet bevrijdt. En ook dat ontbreekt nooit in de preken van Keller. Daarmee is hij een zuivere nazaat en volgeling van Luther. Hij verzwijgt nooit de ernst van het evangelie. Het evangelie is goed nieuws, over Gods vergeving, zijn genade in Christus. Maar die genade is nooit goedkoop, hij predikt niet een God die liefde is zonder meer. Hij predikt een God die zijn liefde geeft in Christus. En die dat dus geeft door het oordeel heen, de dood van zijn Zoon!

En alleen dat verandert je, en maakt je tot een nieuwe mens. Ook dat zie je daar in Athene. Gods oordeel, zegt Paulus, wordt geveld door iemand die God heeft aangewezen. En het bewijs (daarvan) heeft hij geleverd door hem uit de dood te doen opstaan! Híer haken veel Atheners af: opstanding uit de dood! Niet alleen omdat ze dat niet kunnen geloven, nee, omdat ze dat niet wíllen geloven. Heel de christelijke boodschap kun je naast je neerleggen, als een geschiedenis over vroeger. Historie: ooit gebeurd, maar tegelijk onwerkelijk. Maar als Jezus leeft, nu, dan staat er ineens een levende God voor je! Die jou zijn liefde wil geven, en dus een keus van je vraagt.

Een keus die nog verder gaat. Want een levende Christus betekent nog meer. Door zijn opstanding sta jij ook op. Je breekt met je oude leven vol afgoden. Maar dat doet wel pijn, sterven noemt de Bijbel dat, loslaten wat zo bij je hoort. En zo word je anders, niet langer beheerst door status, geld, presteren. Daar is moed voor nodig, en daar vluchten veel mensen voor weg. Keller verwerkt dat heel duidelijk in zijn preken. Aan de ene kant komt hij heel dichtbij mensen, in hun leefwereld en cultuur. Maar juist daar sta je wel meteen voor ingrijpende keuzes. Want nooit wordt het evangelie iets wat je ook wel gerust naast je neer kunt leggen. Je kunt er niet omheen, een keus is onvermijdelijk. En daarin is Keller een echte Lutheraan (al verenigt hij meer tradities in zich).

Je herkent ook die lijn van zondag 5 & 6: dat geen mens zonder de redder kan. Vandaag zijn we niet zo bezig met die levensvraag van toen: hoe vind ik een genadige God? We zijn meer bezig met welzijn, met geluk vinden in een onherbergzame wereld. We zoeken naar de zin van alles, naar geborgenheid en veiligheid. En naar vertrouwen, verbondenheid. Toch komen al die behoeften en verlangens voort uit dat ene probleem van alle mensen. Dat ik van huis uit een verlorene ben, zonder vrede, vrede met God. En in die nood komt God naar je toe. Hij geeft ons de redder, en hoor hoe zondag 6 nu een loflied wordt: “die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing!”

 

Amen

HCzd5&6.17 HCzd5&6.17

 

 

 

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *