De predikant kan het niet alleen

Jan Wolsheimer stelt terecht in ND 13 augustus: predikanten en voorgangers zijn kwetsbaar als ze niet een authentiek geloofsleven ontwikkelen. In het artikel wordt er tevens op gewezen dat evangelische kerken nog maar net beginnen te ontdekken dat er voor voorgangers betere opvang en zorg nodig zijn. Dat is goed om te horen, want het opbrand- en afbrandrisico is daar in mijn waarneming mogelijk nog sterker dan in de meer ‘traditionele’ kerken (verkeerde maar meest toegankelijke aanduiding). In de GKv wordt hier de laatste jaren een zeer goede inhaalslag gemaakt, in navolging van de PKN. Ook in de NGK zie je dat men als gezamenlijke kerken hier meer mee bezig is. In evangelische kerken bestaat vanouds meer de traditie van de voorganger als charismaticus. Charismatici zijn kwetsbaar, voor zichzelf maar meer nog voor anderen. Ze kunnen gemakkelijk het contact met de werkelijkheid en met de gemeenschap verliezen. En daarbij velen in hun val meenemen.

En dat is precies het punt waarop ik de suggestie van Wolsheimer kwetsbaar blijf vinden. Daarom was ik blij met de aanvulling die Jan Martijn Abrahamse in ND 15 augustus geeft: de diepgang van het geestelijk leven van de predikant hangt af van de prioriteiten die hij stelt. Verdiep je je elke dag allereerst in de woorden van God om daarin je rust en kracht te zoeken, of val je meteen in je werk met een professionele intentie? Maar ook hier blijft het steken bij hoe de individuele predikant/voorganger met zijn werk zou moeten omgaan.

Ook in zijn reactie zit echter een potentiële valkuil. Daarom ben ik blij dat Abrahamse er aan toevoegt, dat deze prioriteit samenhangt met de visie die je hebt op het ambt. Wat is het hart van je ambt: al die zaken die mensen op je bord leggen? De predikant als prikbord, waarop iedereen zijn/haar wensen ophangt, zoals hij het treffend verwoordt? Daarmee legt Abrahamse de verbinding die volgens mij juist zo essentieel is: met de gemeente en de verwachtingen en beelden bij de gemeenteleden.

Beide broeders dragen veel waardevols aan. Maar beiden zouden hun adviezen nog meer in de gemeente kunnen verankeren. Bij wat Jan Wolsheimer schrijft heb ik één bedenking: pas op voor de druk van de authenticiteit! Dat is zo’n modewoord: iedereen stemt daar kennelijk meteen mee in. Wie zal dat tegenspreken: het is toch ‘vanzelfsprekend’ dat een predikant uit zijn hart moet spreken? Zonder ‘echtheid’ wordt zijn spreken één grote leugen. Dan overschreeuw je jezelf, verbale ontkenning van je eigen leegte. Maar er ligt een enorme valkuil op de loer. Want al die nadruk op authenticiteit heeft het risico dat we elkaar opjagen en opjutten. Je moet echt zijn, je moet vanuit passie spreken, het moet er van af spatten. Die druk werpt je echter volledig terug op jezelf. Authenticiteit is de vloek van het individualisme.

Daarom is de aanvulling van Abrahamse belangrijk. Want een goede visie op het ambt kan je beschermen tegen allerlei claims die op je gelegd worden. Maar ook kan zo’n visie helpen voorkomen, dat je zo op je eigen ik en jouw authenticiteit teruggeworpen wordt. Authenticiteit maakt eenzaam. Een goede visie kan dat helpen voorkomen.

Alleen, nu nog een spaatje dieper! Daar moet dan wel iets bij: mits je die visie deelt met je omgeving en mits die omgeving die visie ook gaat delen! Dat de predikant vooral en allereerst dienaar van het Woord is, evangeliedienaar, dat lijkt me de meest fundamentele oplossingsrichting van de geconstateerde knelpunten. Maar de grote vraag is: in hoeverre wordt dat door de gemeenteleden gedragen? Daar dient zo’n visie verankerd te liggen. En daar ligt een probleem: vanuit allerlei tradities en conventies verwacht men van ‘de dominee’ (in ieder geval in kerken in de reformatorisch-gereformeerde traditie), dat hij de alomtegenwoordige pastor van iedereen is. Het ‘probleem’ van de afbrandende dominees en voorgangers is een probleem van ons allen, van de hele kerk. Waarbij pastoraat ook nog eens verworden is tot een soort therapeutische zorg, waarvan je nooit genoeg gegeven kunt hebben.

Authenticiteit staat bovenaan, zeker. Maar zonder verankering en verworteling in de gemeente drijft authenticiteit je in de hoek van nog hogere pretenties en verwachtingen. Er is een verandering nodig op het vlak van de gemeente zelf. Predikanten zijn te veel eenlingen. Ze moeten hun werk meer delen met collega’s en mede-ambtsdragers. Ze moeten in een team functioneren. Ze moeten hun geestelijke leven samen met anderen, in de gemeenschap waarin Gods Geest werkt, tot groei laten komen. Ze moeten hun keuzes en werk kunnen laten bevragen, zichzelf dwingen tot zelfreflectie. Kortom: samen, alles samen! Samen bidden, samen delen, samen zoeken.

 

 

You may also like...

2 reacties

  1. Roel Wimmenhove schreef:

    hmmm, zet aan het denken. benieuwd wat er na de laatste alinea komt.
    zit al een paar maanden te broeden. het komt wel op mijn site onder de titel: dag heur 2. dag heur 1 eindigt met Kamphuis namelijk.

  2. At Kramer schreef:

    Hoi Klaas, Mooi artikel. Je hebt helemaal gelijk: predikant-zijn doe je niet alleen. Dan word je erg eenzaam. Terwijl er tegelijk alles van je verwacht wordt. Ik merk dat vaak en dat put mij uit. Veel mensen werken in teamverband en met collega’s (is niet altijd een feestje!!;-) ), maar wij werken vaak alleen. Voel dat vaak zo als ik op mijn fietsje zit of alleen op mijn studeerkamer.
    (Ook al is het een groot goed, dat je je tijd zelf in kunt vullen. Geen kantoor en en kantoortijden.)
    Zoals je ziet geven je woorden stof tot nadenken…
    Heel veel sterkte met alles.
    At

    Ps. Aly en ik gaan de volgende ontmoeting van de vrienden organiseren!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *