Avondmaal buiten de kerkdienst

Avondmaal buiten de kerkdienst, waarom zou je dat willen?

Die vraag hoor ik nogal eens gesteld worden. En het is maar net hóe die vraag gesteld wordt: als échte vraag (je bent benieuwd naar de achtergronden of redenen), of als een vraag van onbegrip (je bedoelt dan eigenlijk: ‘ik zou niet weten waarom dat nou weer zo nodig moet!’). Ik ben zo juist naar een studiedag in Amsterdam geweest van de Protestantse Theologische Universiteit en de Theologische Universiteit Kampen om met een aantal andere belangstellenden serieus en theologisch over die vraag na te denken.

Want ja, waarom wil men dat, avondmaal vieren buiten de viering in de samenkomst van de hele gemeente? Het verschijnsel lijkt in opkomst te zijn. Op deze studiedag sprak onder meer Mirella Klomp, verbonden aan de PThU, vakgebied praktische theologie. Zij had voor deze dag een klein onderzoekje verricht naar deze praktijken in PKN-gemeenten, en kwam tot de conclusie dat het in de Protestantse Kerk weinig voorkomt. Klaarblijkelijk hecht men binnen de PKN meer waarde aan de ambtelijke bediening in een liturgische setting. Mevrouw Klomp ontkende dus min of meer, dat hier sprake is van een toenemende trend.

Toch erkende ook zij, dat het wel eens kan zijn dat deze praktijken ‘onder de radar’ blijven. Men wil geen ‘gedoe met kerkenraden’ en zo, want blijkbaar beseft men dat deze informele en onderlinge vieringen binnen de kerk wel eens lastig zouden kunnen liggen. Dat werd eerlijk erkend door een andere spreker op deze dag: Ronny van Renswoude, jongerenwerker bij de Protestantse Kerk van Giessen-Oudekerk en Peursum. Hij vertelde een praktijkverhaal over hoe hij met een jongerengroep de Paasnacht doorbrengt en aan het eind van die Paaswake met hen gewoon in de groep avondmaal viert. De eerste keer deelden ze dit niet met de kerkenraad, maar hij wilde dat niet buiten de kerkenraad om blijven voortzetten, dus ging in gesprek. Tijdens de studiedag bleek dat er wel meer van zulke praktijken zijn, maar dat deze niet altijd ‘langs de kerkenraad’ gaan.

Waarom die jongerengroep dat doet en wil? Van Renswoude vertelt dat het door hun beleefd wordt als een indrukwekkende mijlpaal in hun geloofsontwikkeling en een intens beleefde stimulans om tot een eigen geloofskeus te komen. Daaruit blijkt een oprecht verlangen, ook wanneer dat samengaat met een bepaalde mate van onvrede ten opzichte van de ‘kerkelijke’ viering. Hans Schaeffer benoemde dat aspect in zijn bijdrage nog het meest: jongeren (tieners, twintigers, maar ook dertigers) voelen zich minder verbonden met het institutionele karakter van de kerk. De viering wordt als afstandelijk of onpersoonlijk ervaren, en zelfs als ‘individualistisch’. Waarmee men kennelijk bedoelt dat er weinig tot geen interactie tussen avondmaalsgangers is tijdens de reguliere vieringen, het wordt ervaren als ‘ieder voor zich’.

Dus waarom men dat wil, avondmaal vieren buiten de kerkdienst? Schaeffer vroeg nog het meest aandacht voor de achtergronden die hier een rol kunnen spelen. Zo wees hij op de analyse van het Sociaal Cultureel Planbureau, waaruit blijkt dat er bij veel jongeren sprake is van een “eroderende kerkbinding en haperende kerkelijke socialisatie”. Dat betekent: men ervaart kerk als onpersoonlijk en voelt afstand en minder institutionele betrokkenheid. Maar tegelijk zit er vaak ook een positief verlangen achter, naar echtheid en direct contact, met elkaar en met God. Dat verlangen moet je niet slechts normatief benaderen, want dan kom je niet tot een dialoog, benadrukte Schaeffer. Wil je peilen wat hier aan de hand is, dan vraagt dat om een andere insteek. Zijn we in staat kritisch te reflecteren op onze eigen kerkelijke tradities en praktijken?

Avondmaal vieren buiten de kerkdienst, wie zou dat mogen?

Het is duidelijk, dat als je theologen een dag bij elkaar zet, hier het gesprek pas echt losbarst. Want de hele discussie leek zich uiteindelijk te concentreren op de vraag: maar wat is dan toch eigenlijk het ambt?! Er was een tijd dat we nog gewoon geloofden in het ambt als van God gegeven. Wie ambt zegt, zegt ordinatie, aanstelling. Er is een roeping en bevestiging, er is een bevoegdheid van Godswege. Toch bleek tijdens deze dag opnieuw hoe problematisch dat ambt is. In de Bijbel vinden we geen directe gegevens waarop onze ambtelijke praktijk steunt. Het enige ambt dat in de Bijbel in verband wordt gebracht met een aanstelling, is dat van oudste. De apostelen instrueren hun assistenten (Titus, Timoteus) tot het aanstellen van oudsten. Dat ambt is dus direct gebaseerd op een apostolisch doorgeven (traditie). Onze huidige dominees vinden we in de Bijbel echter al niet eens echt in directe zin terug, hooguit indirect (de gave of bediening van het profeteren, evangelisten, etc.). Alles wijst erop, dat de Reformatie ons met een groot probleem heeft opgezadeld als het gaat om de fundering van de ambten en de trits dominee, ouderling, diaken (aldus Maarten Wisse op deze studiedag).

Waar komt dus het ambt precies vandaan: vanuit de gemeente, of vanuit de hemel? Anders gezegd: is het (slechts) een functie of bediening, of nog platter: ‘iemand moet het doen’? Of moet je het meer pneumatologisch, dat wil zeggen vanuit het werk van de Heilige Geest funderen? Dat laatste vind je bijvoorbeeld prominent onderbouwd bij Bram van de Beek in zijn boek Lichaam en Geest van Christus. Hij herleidt het huidige ambt vanuit ‘apostolische successie”: van de apostelen via de lokale bisschop (‘opziener’) naar de huidige predikant-voorganger.

En daarmee is dan ook een mandaat of bevoegdheid gegeven. Deze voorganger/prediker krijgt een soort ‘alleenrecht’ om te zegenen, te bevestigen (huwelijken, ambten), en om sacramenten te bedienen. Want dat is een tweede lijn bij Van de Beek: de sacramenten. Niet het Woord, maar het sacrament maakt de kerk tot kerk, is zijn stelling. Via de viering van de eucharistie wordt Christus vertegenwoordigd. Zijn redding en genade komen naar de gelovige toe langs deze weg, de uitdeling door de representant van Christus. Overbodig om te zeggen, dat dit nogal indruist tegen de gereformeerde notie van het Woord als constitutief voor de kerk. Maar dat neemt niet weg, dat Van de Beek ons uitdaagt om niet in die reflex te schieten, maar dieper en fundamenteler te doordenken waar wij die exclusieve bevoegdheid tot sacramentsbediening door de aangestelde ambtsdrager op baseren.

Wisse wijst erop, dat we hier vastlopen doordat de Reformatie op dit punt tweeslachtig is. Luther wees onomwonden op het priesterschap van alle gelovigen en ontkende, dat er bedienaren tussen de gelovige en God in staan. Een typisch door het humanisme van de Renaissance gestempeld emancipatorisch-individualistisch standpunt. Calvijn daarentegen fundeert in Institutie IV het ambt veel meer vanuit die Goddelijke autorisatie. Waarmee er bij de Reformatie een ‘rooms zuurdesem’ mee naar binnen is geglipt, zoals één van de aanwezigen het verwoordde.

Het is wel opvallend, dat we heden ten dage nog altijd met dat ambt worstelen, en daarmee dit verschijnsel normatief benaderen. De PKN-synode heeft hernieuwde bezinning op het ambt opgestart vanwege vragen rond dopen en zegenen op pioniersplekken, de GKv-synode doet hetzelve in het kader van de bezinning op vrouwelijke ouderlingen en predikanten. Zo zoeken we naar die legitimatie. Die er echter niet is. Want ik geef je onderhand op een briefje, dat je er met al die rapporten niet uit gaat komen.

Dus op de vraag, of avondmaal buiten de kerkdienst (of ‘zonder ambtsdragers’) mag, kunnen we zeggen: vanuit die Calvijn-lijn-met-meegeglipte-roomse-autorisatie zeker niet. Voor wie zo diep verlangt naar avondmaalsviering in een kleinere informele (deel-)gemeenschap loopt hier de weg dus teleurstellend dood.

Avondmaal vieren buiten de kerkdienst, hoe kan dat dan?

“Wat niet kan is nog nooit gebeurd”, zei mijn garageman als mijn oude auto weer eens haperde en ik vroeg hoe dat toch kon. Met dit soort wijsheden had zijn eenmansbedrijfje alle crises doorstaan (maar hij vond het euvel dan ook altijd). Deze wijsheid blijkt waarheid: intussen gaan groepjes gelovigen immers hun gang. Ze vieren lustig hun eigen avondmaaltje en krijgen daar echt helemaal een kick van. Mag wat kan? Het gebeurt!

Moet je dat dan tegen willen houden? Er was tijdens deze studiedag nog een andere notie die van belang werd geacht: die van gemeenschap. Waarom wil men dat avondmaal in kleinere kringen? Omdat je daarin echte verbondenheid met elkaar ervaart. Omdat je in die verbondenheid ook de verbondenheid in Christus viert. En dit is meer dan een sociaal of gevoelsargument. Het is misschien zelfs wel de essentie van avondmaal.

Dat element proefde ik nog het meest in de bijdrage van Hans Schaeffer. Hij was eigenlijk de enige spreker naar mijn besef, die het aandurfde om de vraag ‘of het mag en kan’ min of meer los te laten en dieper af te steken, namelijk naar de essentie van het avondmaal als viering van de gemeenschap in Christus. Hij wees onder andere op 1 Korinthiërs 11, waar Paulus de gemeente juist op dit punt aanspreekt. Wat jullie vieren, is dat de Maaltijd van de Heer?, vraagt Paulus. Nee, zegt hij, dat is het absoluut niet als je juist dat lichaam van Christus veronachtzaamt. Door een deel van de gemeente uit te sluiten van de maaltijd wordt dat lichaam van Christus geschonden. Als je avondmaal viert, zoek je juist die gemeenschap. Als voorbeeld noemde Schaeffer een verhaal uit de zending onder Masai. De mannen van dit volk weigerden samen te eten met de vrouwen en meisjes, als mannen onwaardig. Dat stelde de Christus-gemeenschap op scherp: of je includeert alle leden, of je splitst je af van die gemeenschap in aparte clubjes.

Typeerde Schaeffer daarmee het avondmaal in kleine groepen als van de gemeenschap van de kerk afgescheiden clubjes? Nee, juist niet. Want, was zijn scherpzinnige opmerking: of die kleine groep de gemeenschap is of een afsplitsing van de gemeenschap, dat is niet bij voorbaat uit te maken! Het is niet op voorhand te zeggen wélke gemeenschap de prioriteit dient te krijgen. Want niet de kerk bepaalt het avondmaal, maar het avondmaal bepaalt wat en waar de kerk is!

Deze stelling maakt het bijzonder spannend. Want dan is elke avondmaalsgemeenschap iets van kerk. En dan zal die altijd de gemeenschap zoeken en niemand uitsluiten. Zodra dat laatste wel gebeurt, wordt het een clubje, een kerk-in-de-kerk (zoals destijds het conventikels, de gezelschappen van de vrome elite). Avondmaal zoekt in Christus alle anderen die in Christus zijn. “Avondmaal overstijgt de natuurlijke affiniteit tussen mensen”, aldus Schaeffer. Dat wil dus zeggen: de Maaltijd van de Heer verdraagt geen gesloten groepjes of clubjes gelijkgezinden, maar zoekt altijd een weg naar de manier waarop de Heer ons aan elkaar geeft, met alle verschillen en tegenstellingen. Het avondmaal trekt geen grenzen, en tegelijk juist wel als het gaat om de vraag voor wie het is: voor allen die in Christus zijn (door doop en geloof).

Ik moet zeggen, dat deze ontspannen benadering mij aanspreekt. Want dit gaat voorbij aan (of overstijgt) alle andere componenten die het avondmaal tot ‘echt’ avondmaal zouden maken: ambt, instellingswoorden, liturgie, gemeente. Deze benadering pleit voor een ontspannen manier van omgaan met spontane praktijken. Schiet niet meteen in de kramp als mensen dit willen. Zorg voor een open verbinding met elkaar en draag aan wat het avondmaal tot avondmaal maakt.

Eén vraag blijft dan nog onbeantwoord: inderdaad, dat ambt. Laten we dat nu niet met lege handen staan? Zeker, diepere studie op dat ambt is belangrijk en interessant wat mij betreft. Ik wil ook zeker niet meewerken aan het proces van ontmanteling van het ambt van predikant dat gaande is in de kerken. In de PKN is dat ambt in betere handen dan in de GKv (en NGK?), zo lijkt het. Er lijkt meer waardering te zijn van het element van de Goddelijke roeping. Toch zie ik in het verhaal van Schaeffer wel degelijk aanknopingspunten voor een ‘ambtelijke verankering’ van het avondmaal. Komt het ambt van boven of van beneden? Het antwoord op die vraag is in ieder geval: van beide. Er is Goddelijke roeping en tegelijk gemeentelijke bevestiging. Deze beide staan niet in een polaire verhouding tegenover elkaar, maar bevinden zich meer in een permanente pneumatologische beweging, een soort elliptisch continuüm. En hetzelfde moeten we dan dus zeggen van de avondmaalsviering als gemeenschapzoekende en -vormende kracht. Geen avondmaal zonder gemeenschap, geen gemeenschap zonder ambt, geen ambt zonder Christus. Want: geen avondmaal zonder Christus!

 

 

Dit vind je misschien ook leuk...

2 reacties

  1. Erwin schreef:

    De volgende stap in deze gedachte is m.i. de vraag of we in de protestantse traditie terecht een deel van Gods gezin buitensluiten door belijdenis als voorwaarde voor aangaan te stellen (kinderen aan het avondmaal).
    Die gedachte wordt nog verder uitgewerkt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *