Alphacursus vraagt om toegeruste geestelijk begeleiders

Onderstaand essay is geschreven als eindopdracht in het kader van de module Missionaire Begeleiding, onderdeel van de Master Missionaire Gemeente, die ik in deeltijd volgde van 2009 tot 2012 aan de Theologische Universiteit Kampen bij dr. Stefan Paas.

 

Inleiding

Alle mensen staan in een bepaalde relatie tot God de Schepper. God is van niemand ver weg, zegt Paulus tegen de Atheners, alle mensen komen uit hem voort (Handelingen 17,27), of zij dat nu bewust ervaren of niet. Wel kunnen mensen dit leren ervaren, zoals blijkt uit het vervolg:“Het was Gods bedoeling dat ze hem zouden zoeken en hem al tastend zouden kunnen vinden”.

Hoe vinden mensen God? Naast Handelingen 17 zie ik ook het beeld van Handelingen 8: de Ethiopische man op de wagen is op zoek naar God en Filippus vraagt: “Begrijpt u ook wat u leest?” Waarop hij antwoordt: “Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft?” Filippus klimt op de wagen en wordt de wegwijzer voor deze man, die tenslotte “zijn weg vervolgt vol vreugde”. God zoeken en hem helpen vinden, daarover gaat dit essay.

 

1. Wat is geestelijke begeleiding?

Gideon van Dam omschrijft GB als “een contact waarin iemand een ander als gids aanvaardt op (een deel van) de geestelijke weg.” [1] Van Dam kiest de term begeleiding in plaats van leiding, omdat dit meer gelijkwaardigheid veronderstelt in de begeleidingsrelatie. Dit in onderscheid met de term ‘direction’, in de Angelsaksische wereld gebruikt, wat deze relatie eenzijdiger, met een gezagsaspect kleurt. Van Dam benadrukt, dat bij GB sprake is van een vrijwillig gekozen geestelijke gids. Hij neemt de vraag van de zoeker als uitgangspunt.

De definitie van Stefan Paas begint meer aan de kant van de begeleider, of beter, de kant van God: “GB is onszelf en de ander bewust maken van de voortdurende liefdevolle aanwezigheid van God, die ons leidt tot een diepe verandering (‘transformatie’), waardoor wij ons geheel overgeven aan zijn wil en op die manier deelgenoot worden van zijn leven en zijn missie.” [2]

In deze definitie is sprake van wederkerigheid of gelijkheid, een relatie van vertrouwen, en balans tussen autoriteit en nabijheid. De begeleider is niet de enige die geeft, hij is ook ontvanger. Dit is zeer herkenbaar als je mensen begeleidt bij hun zoektocht naar God. Je komt vaak onder de indruk van groeistappen die iemand zelf al neemt, en hoe Gods Geest ‘voor je uit gaat’.[3]

Tegelijk bevat deze omschrijving ook iets van ongelijkheid of ‘eenrichtingsverkeer’: ‘bewust maken’ veronderstelt dat de begeleide persoon zich nog niet/minder bewust is van Gods aanwezigheid. Ook gaat deze omschrijving ervan uit dat God er al is met zijn liefde.

En in de derde plaats bevat deze definitie een duidelijke richting of doelstelling: begeleiding is gericht op transformatie en overgave. GB betekent oog hebben voor de vordering, ‘meetmomenten’ inbouwen, samen met de ander reflecteren op de groei, bewust maken van keuzemomenten.

Moon en Benner[4] noemen nog de definitie van William A. Barry en William J. Connolly: “We define Christian spiritual direction as help given by one Christian to another which enables that person to pay attention to God’s personal communication to him or her, to respond to this personally communicating God, to grow in intimacy with this God, and to live out the consequences of the relationship.” Hier is uitgangspunt, dat God het initiatief neemt. Hij zoekt mensen met zijn liefde. Begeleiden is helpen de stem van God te verstaan. Ook hier valt de doelgerichtheid op: dat mensen deze stem van God gaan beantwoorden, groeien in intimiteit met God en de consequenties van deze relatie in praktijk leren brengen.

De volgende definitie is die van David G. Benner. Hij noemt GB “a prayer process in which a person seeking help in cultivating a deeper personal relationship meets another for prayer and conversation that is focused on increasing awareness of God in the midst of life experiences and facilitating surrender to God’s will”.[5] Hier valt op de nadruk op gebed en ontmoeting, waarin men zich de aanwezigheid van God ‘gewaar wordt’. Inderdaad vindt geen mens God uit zichzelf, tenzij hij zich daar biddend voor openstelt.

Van Dam lijkt dus het meest terughoudend in zijn omschrijving van de GB-relatie: bij hem staat gelijkheid voorop en lijkt autoriteit onwenselijk. Heeft dit te maken met zijn theologie, waarin hij ook liever spreekt van de “Onuitsprekelijke” dan van God? De naam van God noemt hij in zijn definitie niet.

In de tweede definitie (Paas) spreekt mij aan, dat er meer accent ligt op de missie van de begeleider en het deel krijgen van de begeleide aan Gods missie. Daarmee wordt de drijfveer van de begeleider verwoord: de ander zich ervan bewust maken dat God hem zoekt met zijn liefde en dat die hem zal veranderen en deelgenoot maakt van Gods missie.

Terwijl Paas lijkt uit te gaan van het al aanwezig zijn van God, bevat de definitie van Barry/Connolly meer een aspect van Gods zoeken of komen naar mensen. Dit geeft dynamiek: achter menselijke begeleiding en zoeken zit de kracht van de gemeenschap zoekende God. Ook de gerichtheid op een relatie van vertrouwen op God en op het in praktijk leren brengen van de consequenties daarvan spreken mij aan. Ook is hier geen sprake van een eenzijdige gezagsrelatie, maar van vertrouwen en wederzijds leren.

In de definitie van Benner is de grote plaats van het gebed belangrijk. Het gericht zijn op de Heilige Geest geeft deze omschrijving spirituele diepgang. Barrette[6] benadrukt, dat er bij GB sprake is van drie personen: de derde is de heilige Geest, God die mensen zoekt en dat doet door mensen op elkaars weg te brengen, een weg waarop ze samen optrekken en zijn liefde met elkaar mogen gaan delen. De Geest is daarbij de Geest van het getuigenis, maar ook van gebed, wijsheid en liefde.

Zoekend naar een eigen omschrijving neem ik mijn uitgangspunt in de manier waarop God aanwezig is: God komt door zijn Woord en Geest naar ons toe. In het licht van deze zienswijze kun je zeggen, dat GB is: iemand helpen, begeleiden en leren God te (her)kennen zoals hij met zijn zoekende liefde naar mensen toe komt. In deze ontmoeting is Gods Woord het middel van de Heilige Geest, die het eigenlijke werk doet. Tegelijk is hij de Geest van gebed, waarin mensen zich uitstrekken naar de aanraking door God in het hart. Woord en Geest, die beide ‘kanten’ geven een evenwichtige kijk op dit proces.

GB is zo: een contact waarin iemand een christen als gids aanvaardt op zijn levensweg, die hem helpt luisteren naar de stem van God die hem zoekt met zijn liefde, met het doel dat hij door de heilige Geest zo wordt getransformeerd, dat hij deze stem leert beantwoorden door zich aan God over te geven, te groeien in een vertrouwensrelatie met hem en in een leven in toewijding aan God.

 

2. Uit de geschiedenis van GB

GB is een vorm van zorg met oude papieren. In de vroeg-christelijke kerk bestond inwijding van toetreders uit vier fasen: evangelisatie, catechumenaat, doopvoorbereiding en mystagogie.[7]

  1. Evangelisatie:

Een toetreder werd aangemeld op voorspraak van een betrouwbare christen. Dat was het gebruikelijke ‘kanaal’: contacten van gelovigen met niet-gelovige medemensen. Na een soort intake (onderzoek naar motieven) ontving men een algemene introductie in het christelijk geloof en een inleiding in de hoofdlijnen van de Bijbel.[8]

  1. Catechumenaat:

Na deze begincatechese volgde er een (ritueel gemarkeerd) keuzemoment, waarbij de toetreder gevraagd werd of hij dit alles aanvaardde en bereid was verder ingeleid te worden. Daarop werd hij toegelaten tot de volgende fase, het catechumenaat, een periode van 1 tot 3 jaar. In deze fase lag de nadruk op onderwijs via de preken. Catechumenen hoorden al bij de gemeente, maar waren in deze fase nog slechts ‘toehoorders’ en nog niet toegelaten tot de avondmaalsviering.

  1. Doopvoorbereiding:

Jaarlijks konden catechumenen zich in de veertigdagentijd inschrijven voor de doop, die in de paasnacht bediend werd. Deze periode, waarin de doopkandidaten aan een strikte vastendiscipline onderworpen waren, stond in het teken van de strijd met satan, gebed en nachtwaken. In deze fase kregen ze het laatste onderwijs in de essentiële onderdelen van de geloofsleer. Zij leerden de tekst van de geloofsbelijdenis en het Onze Vader.

  1. Doop en mystagogie:

Tijdens de paaswake werden de kandidaten gedoopt en mochten ze voor het eerst deelnemen aan het avondmaal. Aansluitend ontvingen de dopelingen ‘mystagogische catechesen’, waarin zij werden ingewijd in de christelijke geheimen, zoals in de geestelijke betekenis van de sacramenten.

Hoe zijn deze grondelementen door de geschiedenis heen gedragen? Toen de kerk staatskerk werd, verdween de noodzaak van het initiëren van nieuwe bekeerlingen: alle inwoners van een stad stonden geregistreerd als kerklid, burgerlijke en kerkelijke administratie vielen samen. In de tijd na de Reformatie veranderde dit niet wezenlijk. In de gereformeerde traditie bestond wel veel aandacht voor catechese aan de jeugd van de kerk, maar nauwelijks voor het inleiden en inwijden van nieuwe gelovigen.

“In de gereformeerde traditie bestond wel veel aandacht voor catechese aan de jeugd van de kerk, maar nauwelijks voor het inleiden en inwijden van nieuwe gelovigen.”

Meer aandacht voor het begeleiden van nieuwe gelovigen vinden we in het Methodisme van de 18e eeuw. Deze beweging ontstond ook in een andere context, die van de veruiterlijkte volkskerk in de arme industrialiserende samenleving van Groot-Brittannië. Toch kende men binnen het Whesleyaanse revivalisme geen individuele GB, omdat deze beweging meer een heiligingsbeweging was. Geestelijke vorming en groei gebeurden binnen klassen of kringen waarin men van meet af meedeed. Daarbinnen bestond wel persoonlijke aandacht voor ieders groei en bekering, daarnaast kende men ook wel begeleiding door personen die als geestelijke gids optraden, maar van een relatie van ongelijkheid (begeleider – begeleide) wilde men niet weten. Overigens was er binnen deze groepen of kringen wel veel aandacht voor het ontwikkelen van spiritueel leven, door een discipline van gebed en mediterend omgaan met de Bijbel. Ook in de Pinkster- en charismatische beweging is een zelfde benadering te zien, al vindt geestelijke groei hier vooral plaats binnen de setting van aanbidding en lofprijzing in de samenkomsten van de gemeente.

 

3. De praktijk

In dit onderdeel doe ik verslag van het onderzoekje naar het concreet functioneren van GB in een gemeente. Steeds vaker komt het voor, dat nieuwe gelovigen toetreden tot een gemeente. Zonder dat kerken dit bewust zoeken, komen mensen op onze weg. Dat is uiteraard niet nieuw: in alle tijden kwamen christenen in aanraking met niet-christenen, gingen ze relaties met hen aan en kwamen mensen in contact met een gemeente. Wel lijkt dit in onze tijd steeds vaker te gebeuren: de kerk wordt steeds meer een randverschijnsel, waardoor christenen meer niet-gelovigen dan medegelovigen ontmoeten. Tegelijk sluiten christenen zich minder van de samenleving af: bleven zij tot enkele decennia geleden vaak nog binnen hun eigen ‘zuil’ of wereld, nu leven zij, en vooral jongeren, steeds meer midden in deze wereld en gaan zij ook eerder nauwere banden (vriendschappen en liefdesrelaties) met medemensen aan. Voor veel jongeren is de ‘kerk’ slechts één van de vele verbanden waarin zij zich bewegen, en dan ook nog vaak van secundaire betekenis vergeleken bij hun sociale netwerken.

Maar terwijl contacten toenemen, lijken kerken daar niet op ingesteld. Vaak zijn kerken bezig met de ‘toegankelijkheid’ van kerkdiensten, maar de praktijk bewijst dat geregelde kerkgang pas de laatste stap is in een lang proces van groeien, begrijpen en aanvaarden.

“Vaak zijn kerken bezig met de ‘toegankelijkheid’ van kerkdiensten, maar de praktijk bewijst dat geregelde kerkgang pas de laatste stap is in een lang proces van groeien.”

Dat betekent dat we allereerst naar andere aspecten van kerk-zijn moeten kijken. Veel kerken kennen een Alphacursus. Toch gaat deze nogal eens niet door vanwege gebrek aan deelnemers. Ook zijn maar weinig kerkleden er bewust op gericht om nieuwe gelovigen te introduceren. ‘Alpha’ blijft nog vaak een activiteit van enkelingen, aan de rand van het gemeenteleven, grotendeels achter de schermen. Af en toe vragen cursusleiders voorbede in erediensten, slechts heel nu en dan wordt er iets verteld over de ontwikkeling die deelnemers doormaken. Maar verder blijft dit werk onzichtbaar en is het niet geïntegreerd in een totaalprogramma van een gemeente.

Mede daardoor is er ook vaak nauwelijks goede opvolging. Mensen die Alpha doorlopen hebben, zijn soms vol van wat ze hebben meegemaakt. Maar dan blijkt er vervolgens vaak weinig of geen verdere begeleiding te zijn. Cursusleiders zijn van goede wille en zetten de contacten vaak nog wel voort, maar op een gegeven moment verwateren deze en verdwijnen cursisten uit het oog. We beseffen vaak niet hoe lang de weg is die zij hebben te gaan en hoe diep het veranderingsproces door Gods Geest gaat. Individuele cursusleiders voelen dit vaak wel aan, maar zien ook weinig mogelijkheid om vervolgopvang te organiseren en in een gemeente te integreren. Met als gevolg, dat begonnen processen van verandering weer worden afgebroken.

“Alpha blijft nog vaak een activiteit van enkelingen, aan de rand van het gemeenteleven, grotendeels achter de schermen.”

Als een enkeling wel verder wil, is dit alleen omdat diegene zelf sterk gemotiveerd is, vaak vanwege een relatie met een gelovige partner.[9] Deze mensen komen dan bij een predikant terecht, die dit begeleidingswerk in de regel met groot enthousiasme aanvangt.[10] De relatie met de predikant is in de meeste gevallen goed, deze blijkt vaak een sleutelpersoon.[11] Maar ook deze stuit op het knelpunt, dat er te weinig opvolging is. De integratie in de gemeente verloopt moeizaam, omdat het contact met de begeleider-predikant vaak nogal exclusief is: er zijn te weinig anderen bij betrokken.[12] Als nieuwe gelovigen al zo ver hebben doorgezet en zich bij de gemeente voegen, blijken ze daarna vaak alsnog min of meer in een isolement te belanden. Daardoor worden ze als prille gelovigen kwetsbaar en raken ze mogelijk teleurgesteld in de kerk, alsmede in het niveau van geestelijk leven dat zij om zich heen opmerken. Dit beeld is eenzijdig (er zijn zeker andere situaties waarin het veel beter verliep), maar tegelijk herkenbaar voor wie hiermee ervaring hebben. 

Naast het onderzoek in een gemeente heb ik nog enkele vragen voorgelegd aan begeleiders van de Alphacursus in eigen gemeente.[13] Zij zien GB als hulp om mensen te helpen groeien “in kennis, relatie met God en gemeenschap van heiligen”. Mensen komen tot geloof alleen door de heilige Geest, die op allerlei manieren in hun leven werkt. Alleen als alle gemeenteleden zelf vol zijn van de heilige Geest en wij bovendien als kerk bereid zijn onze vertrouwde vormen los te laten, kunnen mensen tot geloof komen en in de gemeente integreren. Allen ervaren een diepe kloof tussen de toetreder en de praktijk van gemeente zijn, het meest op het niveau van de kerkdiensten, maar ook in de houding van gemeenteleden. Opvallend is, dat geen van hen zegt dat er mensen door hun begeleiding tot geloof zijn gekomen en zich bij de kerk hebben gevoegd. Bescheiden zeggen ze te hopen een middel te mogen zijn geweest. Hier zou je toch meer geestelijk leiderschap mogen verwachten! Mogelijk schatten de Alphabegeleiders hun eigen positie niet zo hoog in, doordat de hele Alphacursus zich aan de zijlijn van het gemeente zijn afspeelt, zoals we al zagen. Dit betekent dat de predikant als ‘beroeps’-GB-er allereerst werk dient te maken van de toerusting van de begeleiders zelf. Het is belangrijk daarbij goed door te praten in welke vorm dat zou moeten gebeuren, omdat de betreffende begeleiders al lang en veel ervaring hebben en niet direct blijk gaven van behoefte aan nadere vorming. Ook betekent dit een meer doelgerichte toerusting van wijkkringen of –groepen, om deze te ontwikkelen naar groeigroepen. Daarnaast kan voor de verdere groei en begeleiding van toetreders de Emmaüscursus zeer passend zijn en dienen er programma’s opgezet te worden om nieuwe begeleiders te trainen.

“De mensen die de Alpha geven doen dit al jarenlang en niet ieder bleek evenveel behoefte te hebben aan nadere toerusting. We moeten dus goed spreken over de vorm waarin we dat doen.”

 

4. GB: werkwijze, inhoud

Werkwijze

Het gaat bij GB niet om actief werven van nieuwe toetreders, maar om mensen met wie al contact is en die verder ingeleid en ingewijd willen worden in het christelijk geloof. Samen met zijn of haar gids gaat deze persoon op zoek naar de manier waarop hij/zij de stem van God kan leren verstaan, wat het betekent op die stem te reageren en wat de consequenties zijn van de keuze om God te willen leren kennen. Van meet aan trekt de gids of begeleider dus met de toetreder op, als een soort mental coach.

Tegelijk moet persoonlijke begeleiding ingebed zijn in een samenhangend gemeentebreed programma van onderwijs en geestelijke groei. Daarmee hangt GB direct samen met het catechesewerk. Dit vraagt wel om een gemeentevisie waarin we de kerk zien als een lerende gemeenschap.[14] Onderwijs en toerusting, discipelschapstraining in kleine kringen, dit hele programma dient zo in elkaar te zitten, dat er voor toetreders een natuurlijke weg wordt aangelegd, als een invoegstrook parallel aan de grote weg, die zich tenslotte daarmee samenvoegt.

“Persoonlijke begeleiding moet ingebed zijn in een samenhangend gemeentebreed programma van onderwijs en geestelijke groei.”

Het begeleidingstraject kan dezelfde structuur hebben als die in de vroeg-christelijke kerk. Dat begint met de evangelisatiefase: door middel van contacten met christenen raakt iemand geïnteresseerd. We gaan niet in op evangelisatiemethodes, het aandachtspunt ligt een stap verder: als mensen na eerste contacten en gesprekken verder ingewijd willen worden. Wel is in dit stadium een cursus in groepsverband effectief. De Alphacursus is daarvan een goed voorbeeld: deze vorm van missionaire catechese is laagdrempelig en voldoet goed aan de criteria en volgorde van de drie B’s (Belong – Believe – Behave).

Na deze eerste basis-introductie in het geloof wordt van de deelnemers een keuze gevraagd. Het is erg belangrijk dat dit gebeurt, zodat deelnemers gemotiveerd zijn voor een vervolg. Wat in de oude kerk gebeurde, lijkt me betekenisvol: een ritueel gemarkeerd moment in een eredienst. Daarmee begint de volgende fase: het catechumenaat. Daarmee geef je deze mensen een bepaalde status, die duidelijk maakt dat ze bij de gemeente horen. Ik pleit daarbij voor zorgvuldige ‘ledenregistratie’[15] waardoor toetreders in beeld kunnen blijven bij begeleiders, pastorale zorgers en gemeenteleden, terwijl het tegelijk kan helpen een groeiende binding met de gemeente te ervaren. Er is dan a.h.w. iets waar men op aangesproken kan worden.

In deze fase vindt er een individueel begeleidingstraject plaats: dit zijn de eigenlijke GB-gesprekken! Zijn er meerdere toetreders, dan verdient het aanbeveling te werken met groepscatechesemateriaal. Hier kan het Emmaüsmateriaal goed voldoen. Hiervoor moeten kringleiders worden getraind. Ook dient men te werken aan een verbinding met de ‘gewone’ catechese. Als men daaraan toe is, kan daarna de doopvoorbereiding plaatsvinden, waarin dezelfde elementen (vasten en gebed) terug komen als in de vroeg-christelijke kerk, met accent op de geestelijke betekenis van deze stap. Na de doop is men toegelaten tot de sacramenten en vindt de ‘mystagogische’ slotcatechese plaats. Dat betekent ook, dat de toetreder beseft dat je er met de doop niet bent maar dat verdere persoonlijke begeleiding en onderwijs nodig blijven.

De Weg

De weg van nieuwe gelovigen gaat over de ‘Weg’ (Handelingen 9:2): wat is de inhoud, waarin moeten nieuwe gelovigen groeien? Een twee-sporenbeleid is aan te bevelen: bijbelse basiskennis, parallel daaraan onderwijs in de christelijke geloofsleer.[16] Tijdens deze weg is ook (oefening in) gebed cruciaal: hij/zij moet zo leren ervaren, dat het in het geloof gaat om Iemand, met wie je een persoonlijke relatie leert onderhouden. De groei die men doormaakt kan hieraan ‘afgemeten’ worden.

De route van catechumeen naar doopkandidaat loopt uit op inwijding in het geheimenis van Christus. In de laatste fase ligt daarom de nadruk op de gemeenschap met Christus in het avondmaal. Het moet duidelijk zijn, dat het daarbij om een beslissende stap gaat, die ook bepaalde ‘rechten en plichten’ met zich meebrengt, zoals inzet van gaven, tijd, financiële middelen; maar, belangrijker nog, ook een geestelijke voorbereiding door belijdenis van zonde en van vertrouwen op Christus’ vergeving en vernieuwende Geest.

De begeleider

Het is goed te werken met professioneel geschoolde begeleiders, met grondige kennis van de Bijbel en van de christelijke leer, en tegelijk voldoende getraind om deze kennis op een begrijpelijke manier over te dragen. Maar veel belangrijker nog is de houding van de GB-er: die moet sensitief-pastoraal zijn, gericht op het proces in het hart van de ander. Dit werk vereist empathie en vraagt om een diepe en doorleefde spiritualiteit. Daarom is de GB-er altijd ook zelf discipel van Jezus, doordat hij/zij zich laat coachen en zelf geestelijk begeleid wordt. En tenslotte dient de GB-er gericht te zijn op de groei van potentieel, door anderen voor dit werk toe te rusten en te (laten) trainen. Een kerk die de visie heeft te willen groeien, zal investeren in toerusting en training van nieuwe begeleiders.

“Een kerk die de visie heeft te willen groeien, zal investeren in toerusting en training van nieuwe begeleiders.”

De predikant, als evangeliedienaar en pastor, ziet zichzelf nadrukkelijk als eerst-aangewezen geestelijke vormer of begeleider. Hij is erop gericht om meer mensen te trainen voor dit werk, en een team van geestelijke begeleiders te vormen. Ook naar buiten presenteert de predikant zich als geestelijk begeleider. Pastorale zorg en GB worden in de literatuur soms wat op afstand van elkaar gezet.[17] Het is de vraag, of dit niet leidt tot een kunstmatige scheiding tussen beide, in een soort binnen- en buitenkerkelijke variant. Een goede visie op de plaats van een kerk in een samenleving van dorp of stadswijk betekent dat de kerk zich opstelt als vertegenwoordiger van de Goede Herder Christus, en zich verantwoordelijk acht voor (de zorg voor) alle inwoners van het betreffende parochiale gebied.[18] In sommige buurten is dit mogelijk door in de directe omgeving van het kerkgebouw of op een andere geschikte locatie (een café of buurthuis) spreekuren te houden voor ‘hulp bij geloofsvragen’.

Begeleiding is niet primair gericht op kennis, het gaat om het hart. GB vraagt om geestelijk rijpe mensen, die zelf dicht bij God leven. GB-ers zijn altijd ook zelf discipel! Alleen wat je zelf ervaart kun je delen. Zij zijn belangrijke schakels in het laten zien wie Jezus Christus is, juist doordat Christus in en door hen zichtbaar wordt. Dit is niet een te leren techniek, maar allereerst een zaak van echte ‘Godsvrucht’. Juist begeleiders staan ook zelf open voor een voortdurend leer- en groeiproces. Zij zijn ook zelf discipel van Jezus (Matteus 23:8)!

De gemeente

Het is duidelijk dat GB in de meeste kerken een randverschijnsel is, waardoor nieuwe gelovigen nauwelijks doelgericht in een gemeente geïntegreerd worden. Om dit te verbeteren is het belangrijk gemeenteleden toe te rusten om bewust te leren omgaan met hun dagelijkse contacten. Preken en onderwijs dienen dit besef te stimuleren. Leerpreken kunnen een goed middel zijn om mensen te helpen het geloof te verwoorden. Ook de belijdeniscatechisatie is een goed middel om jongeren te leren hun geloof doelgericht te delen met anderen.[19] Ook de overige catechisaties dienen erop gericht te zijn, dat jongeren zelfstandig het geloof leren verwoorden.

Verder worden kleine groepen (/huiskringen) toegerust om nieuwe gelovigen op te vangen. Daartoe zou elke groep een pastoraal-geestelijke werker moeten hebben, die door de predikant of andere professional toegerust wordt. Zo hoop ik al met al een beeld te hebben geschetst van wat GB is en hoe deze in een gemeente meer geprofileerd vorm kan krijgen. Een lerende kerk is een groeiende kerk.

 

Noten (literatuur):

[1] Gideon van Dam, Dichter bij het Onuitsprekelijke. Over geestelijke begeleiding door en voor pastores, Baarn z.j. (2003), 99.

[2] College Missionaire Begeleiding 2, 15 december 2009.

[3] Een jonge vrouw (+ 25) die ik begeleidde leek er behoefte aan te hebben te benadrukken dat ze “heus nog niet” gelovig was, maar kreeg tegelijk steeds meer last van grof taalgebruik en vloeken op de school waar zij werkte (school voor kinderen uit gezinnen onder begeleiding van jeugdzorg): “als ik daar niks van zeg, doe ik het dan niet eigenlijk zelf ook?” Een besef van God en zijn heiligheid leek groeiende in haar!

[4] Gary W. Moon en David G. Benner, Spiritual Direction and the Care of Souls. A guide to Christian approaches and practices. Downers Grove z.j. (2004), 188.

[5] Idem.

[6] Moon en Benner, a.w., 55

[7] Stefan Paas, De werkers van het laatste uur. De inwijding van nieuwkomers in het christelijk geloof en in de christelijke gemeente. Zoetermeer z.j. (2003), 194 e.v.

[8] Augustinus, De catechizandis rudibus, vert. door G. Wijdeveld, Augustinus: Het eerste geloofsonderricht, Baarn 1982.

[9] Zoals duidelijk blijkt bij het voorbeeld in interview 1.

[10] Zie interview met ds. B.

[11] Opvallend is in interview 1, dat N. op de vraag wie de belangrijkste rol speelde in haar groeiende zoeken naar God, de predikant met wie het eerste contact ontstond pas noemt na de gemeente en de relaties via de Alphacursus. Toch benoemt ze het contact met hem wel als een ‘speciale band’ (die later weer wat op afstand raakte doordat deze predikant naar het buitenland vertrok).

[12] Uit beide interviews blijkt, dat het vervolgcontact te vrijblijvend is geweest, waardoor deze nieuwe gelovigen min of meer zelf hun weg verder moesten zien te vinden in de kerk. Andere gemeenteleden, al dan niet via huiskringen e.d., pakten de vervolgbegeleiding niet zonder meer en vanzelfsprekend op.

[13] Aan drie personen, die jaarlijks een Alphacursus geven (zelf deed ik het weekenddeel) legde ik de volgende vragen voor:

  • wat versta je onder GB?
  • op welke manier komen mensen tot geloof?
  • wat zijn je eigen ervaringen met GB (wat vond je moeilijk, wat vond je mooi)?
  • hoe kunnen we als kerk GB van nieuwe gelovigen beter vorm en inhoud geven?
  • hoeveel mensen zijn door jouw hulp tot Christus gekomen, hoeveel voegden zich bij de gemeente?
  • wat moet er gebeuren om meer doelgericht bezig te zijn in de gemeente met GB?

[14] Paas, a.w., 187 e.v.

[15] Het is me vaak opgevallen dat missionaire werkers hier onachtzaam in zijn. Mogelijk ervaren ze zo’n soort ‘registratie’ als kerkelijke bureaucratie. Maar het is geen formalisme maar zorgvuldigheid: zorg dat je nieuwe en nog zwakke schapen niet uit het oog verliest! Besef je verantwoordelijkheid voor hun redding!

[16] Zelf werk ik met de Bijbelcursus van de Werkgroep Bijbelcursus, recent opgegaan in Centrum Dienstverlening Gereformeerde Kerken. Elk van de 25 deeltjes hiervan bevat een a, b en c gedeelte: a gaat over de Bijbel als boek (ontstaan van de Bijbel, etc.), b behandelt de inhoud van de Bijbel (bijbelse geschiedenis per Bijbelboek), c gaat over wat christenen geloven (wie is God, wat is bidden, etc.). Dit materiaal is goed bruikbaar voor de begeleiding van toetreders. Zowel kennis van de Bijbel als van de geloofsleer kan parallel ontwikkeld worden.

[17] Moon en Benner, a.w., 211 e.v.

[18] Paulus’ prediking leidde allereerst in (vaak ommuurde) steden tot gemeentevorming, zodat parochie- en stadsgrenzen samenvielen. In latere tijd, na Constantijn de Grote, stonden zo alle inwoners van een stad ook onder de zorg van de kerk (zie B.A.M. Luttikhuis, Een grensgeval. Oorsprong en functie van het territoriale beginsel in het gereformeerd kerkrecht. Gorinchem 1992).

[19] Zelf noem ik belijdeniscatechisatie ‘een cursus getuige zijn’. De belijdeniscatechese wordt verbonden met Matteus 10,32: Iedereen die mij zal erkennen (NBG-1951: “belijden”) bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. Bij het ‘eindgesprek’ moeten de kandidaten een onderwerp uit de behandelde stof kiezen en daarover een presentatie houden, die voldoet aan:

  • bijbels onderbouwd
  • geïllustreerd aan de hand van de belijdenissen van de kerk
  • gepresenteerd als uitleg aan iemand die de Bijbel en het christelijk geloof niet kent
  • persoonlijk, d.w.z. met expliciete verwijzing naar wat het onderwerp voor jezelf betekent in relatie tot je eigen levensweg en -ervaring, en waarom je voor Christus kiest.

 

De interviews:

Interview 1 (jonge vrouw (N.), grote stad in westen des lands)

Tijdens opleiding (HBO-communicatie) raakte ze bevriend met medestudent, haar latere man. Ze raakten in gesprek (+ in 2006?), waarbij N. merkte dat hij christen was. Hij sprak daar heel open en eerlijk over, wat haar nieuwsgierig maakte. Zelf was N. afkomstig uit een niet-christelijk gezin, hoewel haar vader gereformeerd was opgevoed maar daarmee brak tijdens zijn tienerjaren, en haar moeder uit RK-achtergrond afkomstig. In het gezin werd hierover niet gesproken en was er geen sprake van actief geloof/geloofsopvoeding. Wel was er een min of meer onbewuste sfeer van normen en waarden, o.a. betreffende de manier waarop je met anderen omgaat (eerlijkheid, respect, etc.). Iets daarvan herkende zij bij haar vriend, toen ze elkaar ontmoetten, zodat er al een zekere aansluiting was. Ook was de gereformeerde kerk voor N. niet helemaal vreemd, omdat ze die wel min of meer kende via haar grootouders.

Weerstand tegenover geloven heeft N. niet ervaren, eerder interesse en nieuwsgierigheid. Ze raakte geïnteresseerd en wilde er graag dieper in worden ingeleid. Haar vriend vroeg zijn toenmalige predikant of deze hen verder kon helpen. Zo begon een serie gesprekken, eenmaal in de twee weken, over God, geloof en Bijbel, aan de hand van een belijdeniscatechisatieboek. Dit bleek geschikt, omdat N. qua niveau wel wat aan kon en ook zeer nieuwsgierig was. Haar vragen was niet kritisch maar weetgierig, zoekend. Na vertrek van de predikant volgden ze samen een Alphacursus, die werd opgevolgd door persoonlijke gesprekken met hun huidige predikant. Daarop volgden na verloop van tijd haar belijdenis en doop (april 2009), wat N. samen met haar man en met de gemeente als een groot feest heeft ervaren. Haar ouders waren daar ook bij aanwezig, vonden het op zich mooi, maar er veranderde niet direct iets bij hen. Overigens had N. aanvankelijk ook moeite gehad het aan haar ouders te vertellen, omdat ze een hechte band met hen heeft en zij hen niet wilde teleurstellen.

Wat (/wie) de grootste rol in haar weg van geestelijke groei heeft gespeeld, kan N. moeilijk zeggen. Als eerste noemt zij de heilige Geest! Achteraf zag ze, dat God eigenlijk al lang voordat ze in gesprek raakte met haar bezig was. De tweede die N. noemt, is haar man. Ze merkten, dat de gesprekken over God hun relatie verdiepten, en samen hadden ze ook de overtuiging dat samen optrekken en daarin groeien de basis van hun relatie alleen maar kon versterken.

Wie zijn verder geestelijke gidsen geweest en hoe waren ze dat? Daarin noemt N. de kerkgemeenschap als eerste. In deze gemeente bestond wel verlangen om meer op de wereld gericht te zijn, maar in de praktijk bleek dat moeilijk en was dat niet altijd reëel. Zij kwam tot de conclusie, dat in een gemeente sterke onderlinge relaties minstens zo belangrijk zijn. Toetreders moeten verder begeleid en opgevangen kunnen worden, en dat kan het beste in een hechte gemeenschap.

Verder noemt zij de Alphacursus, waarin het bouwen van relaties belangrijk is. Ook kunnen cursisten daarin hun vragen kwijt en is de interactie leerzaam. In het gesprek legt zij veel nadruk op het leren, wat mogelijk ook te maken heeft met haar opleidingsniveau.[1] Verder zijn de beide predikanten belangrijk geweest, zeker met de eerste ontstond wel een speciale band.

Wat merkte N. van wat het proces met haar begeleiders persoonlijk deed? Bij haar man merkte ze, dat zijn min of meer vanzelfsprekende manier van geloven veranderde in een steeds bewuster nadenken over zijn relatie met God. Dit geldt ook voor zijn familie, die door haar komst in de familie ook meer zijn gaan nadenken. Ook de beide predikanten waren soms zichtbaar onder de indruk van wat God aan het doen was. De tweede predikant gaf daarbij blijk van herkenning, omdat hij zelf ook heel bewust christen is geworden (vanuit een niet-christelijke (niet-gelovige) achtergrond).

Is zij zelf ook een gids of ambassadeur geworden inmiddels? N. blikt terug en zegt (wat ze in het gesprek al enkele keren had aangegeven), dat haar leven niet op slag veranderde. Het was meer een proces dat heel geleidelijk, ongemerkt bijna, verliep: van nieuwsgierig en geïnteresseerd raken, van vragen en zich steeds meer er in verdiepen. Daarom gelooft zij niet zo in evangelisatievormen als ‘strand- en boulevard-evangelisatie’ (E&R), waarbij mensen zo maar worden aangesproken. “Dat zou ik zelf in de tijd dat ik nog niet geloofde ook beslist niet als prettig ervaren hebben”. Ze is er van overtuigd, dat spreken over Christus vooral zinvol is met mensen met wie je een bepaalde band hebt. Op haar werk (klein communicatiebureau) weten haar collega’s wel, dat zij christen is maar komt dat niet zo zeer tot uiting in het feit dat zij daar veel over praat, naar zij hoopt wel in haar houding en gedrag. Haar collega’s respecteren haar geloof, maar vragen er ook niet speciaal naar. Zijn ‘werk’ en ‘geloof’ min of meer gescheiden werelden? Dat speelt mogelijk wel een rol, anderzijds heeft N. niet het gevoel dat zij in beide sferen iemand anders is: “het is iets wat bij me hoort en wat ik altijd bij me draag”.

Ik heb dit gesprek als zeer boeiend ervaren. Vooral het wonder van hoe God in een mensenleven binnenkomt en iemand verandert is indrukwekkend. Ik herken het belang van goede relaties en vriendschappen, waarin christenen eerlijk laten zien wie ze zijn. De rol van geestelijke gidsen is van grote betekenis, maar de eerste ambassadeur van Jezus is toch degene die het dichtst bij de betreffende persoon staat, in dit geval haar man. Ook sterke onderlinge relaties in de gemeente zijn van belang, en het daarbij bewust gericht zijn op het inwijden van toetreders. Daaraan ontbreekt het overigens nog wel (getuige wat N. zei over de mate waarin gemeenteleden zich bewust zijn van het open staan van een gemeente naar haar omgeving).

[1] Vergelijk het tweede interview, waarin meer nadruk ligt op gebed en de rust die God daarop geeft.

 

Interview 2 (jonge man en vrouw (fam. Ch.), grote stad in westen des lands)

Hij is van (hindostaans-)Surinaamse afkomst, zij komt uit India. Het verhaal wordt slechts moeizaam duidelijk, omdat ik beiden niet altijd goed kan verstaan (nog veel moeite met de taal). Ze hebben elkaar in India leren kennen, zijn daar ook getrouwd. Inmiddels hebben ze twee kinderen, terwijl de derde op komst is. Tijdens het gesprek is hij minder spraakzaam, vooral zij doet het woord.

Ook zij was van huis uit hindoe maar voelde altijd veel onrust en angst. Na contact met een predikant in New Delhi, opgeleid door Amerikaanse zendelingen, is zij begonnen naar de kerk te gaan, samen met haar moeder. Ze begon de Bijbel te lezen en tot God te bidden, en voelde steeds meer rust. De problemen die zij en haar familie hadden, werden niet minder, eerder erger, maar door gebed en vertrouwen op God voelde ze steeds meer rust.

In Nederland gekomen ging ook hij met haar mee naar de kerk. Zij kregen ook Bijbelles, van de vrouw van de dominee en van een ander gemeentelid (die later zelf zendingswerk in het buitenland ging doen). Hiermee gingen ze ongeveer 5 jaar door, toen hebben ze hun geloof beleden en zijn ze als gezin, samen met hun twee kinderen, gedoopt (in 2007). Ze beginnen opnieuw te stralen als ze hierover spreken, het is een geweldige feestdag geweest, met veel vrienden, eten en drinken, etc.

Beiden vinden het heel belangrijk om elke zondag naar de kerk te gaan. Ze ervaren dat als heel erg “leuk”. Ze bedoelen daarmee, dat ze veel leren van de preken, al vindt hij die soms moeilijk; en ook dat ze genieten van de ontmoeting met andere gemeenteleden. Een zondag zonder kerkgang voelen ze als een lege dag.

Het valt op, dat de Bijbelstudie kennelijk niet meer verder ging na hun doop. Zij leest zelf wel veel in de Bijbel, overdag als de kinderen naar school zijn. Dan bidt zij ook, voor haar familie in India, die nog veel problemen hebben en voor wie zij bidt dat ook zij naar de kerk zullen gaan. Hij zegt door zijn werk overdag ’s avonds “te moe” te zijn om met Bijbelstudie bezig te zijn.

Beiden zijn echter heel overtuigd christen en getuigen daar oprecht van. Toch is het vooral voor hem lastig de kern van het christelijk geloof te verwoorden, al vertelt hij wel dat hij nadat hij naar de kerk begon te gaan en met de Bijbel bezig was, “veranderd” is. Als voorbeeld noemt hij zijn rijgedrag: “vroeger maakte ik veel aanrijdingen en kreeg ik veel boetes, dat is nu helemaal over!” Ook zegt hij, dat hij merkt dat veel dingen “beter lukken”. Zij noemt vooral het woord ‘vertrouwen’: ze wilde heel graag haar rijbewijs halen maar dit lukte niet; door te blijven bidden is zij ervan overtuigd dat “God dat een keer moet geven”. Dat geeft haar rust.

Zij heeft altijd veel vragen over de Bijbel, die ze graag met anderen wil bespreken. Ze vindt het moeilijk, dat niet iedereen dat altijd wil. En dat sommigen in de gemeente doen alsof haar vragen er niet toe doen. Beiden begrijpen er niets van, dat er in Nederland mensen bestaan, die niet geloven. Voor hem was overigens zijn hindostaanse achtergrond meer een cultureel dan een religieus gegeven. Maar toch zien zij dat als iets wat je ‘bent’: iedere mens heeft nu eenmaal een geloof, ook als je dat niet ‘hebt’ (d.w.z. actief onderhoudt) maar alleen in naam bent.

Het gesprek was bijzonder boeiend, al was het lastig om een goed beeld te vormen vanwege de moeilijke verstaanbaarheid. Beiden spreken niet zozeer van ‘leren’ als het gaat over Bijbelstudie, maar van ‘vertrouwen’. Het is bijna vanzelfsprekend, dat je in iets of iemand gelooft, ze voelen zich bij God veilig en vinden rust. In hun geestelijke vorming is het persoonlijke contact (Bijbelstudie) belangrijk geweest, maar vervolgens ook en steeds meer de kerkdiensten. ‘Naar de kerk gaan’ heeft voor hen religieuze betekenis. Dat houdt je geloof levend en helpt je te groeien in vertrouwen.

 

Interview 3 (ds. B., grote stad in westen des lands)

B. heeft veel ervaring met begeleiding van toetreders. Ook op dit moment begeleidt hij twee mensen (echtgenoten van gemeenteleden). “Het is echt het allermooiste wat je kunt doen als dominee! Mensen komen tot geloof door gesprekken over de Bijbel en over Jezus Christus. Dit zou ik het liefst full time willen doen! Je mag van nabij meemaken hoe mensen door Gods Geest geraakt en veranderd worden.” B. werkt meestal met persoonlijke gesprekken, dus één op één. Zijn aanpak hangt daarom af van de persoon waar het om gaat. Over de jonge man (interview 2) zegt hij: S. is verbaal niet sterk, de gesprekken beperkten zich tot de meest basale geloofskennis, waarbij veel nadruk lag op Bijbelstudie. Er werd geen boekje of iets dergelijks gebruikt.

Over N. (interview 1): zij heeft duidelijk veel meer niveau, is hoogopgeleid. Met haar gebruikte B. een belijdeniscatechisatieboek (E. Brink, Woord Vooraf). Wel vond zij het emotioneel lastig om erover te praten of de kern voor zichzelf te verwoorden.

De opvolging is vaak afhankelijk van de motivatie van de toetreder zelf. In deze gemeente wordt er op aangedrongen dat men zelf verder gaat door deelname aan huiskringen. Het doel is, dat deze kringen daar ook op gericht zijn. Toch functioneert dat niet altijd zo, en ook sluit niet iedere nieuwe gelovige zich hier bij aan. Het is soms lastig te peilen wat daar de achtergrond van is.

Welke knelpunten zijn er? S. en B. (interview 2) komen meestal trouw naar de kerkdiensten (die voor hen erg belangrijk zijn om verdere geloofskennis en -groei te ontvangen), maar ze vinden weinig aansluiting bij de overige gemeenteleden. Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met hun etnische/culturele achtergrond (Suriname en India).

Drie kerken in deze stad beschikken overigens samen over een kerkelijk/missionair werker, die o.a. tot taak heeft de nieuwe gelovigen verder te begeleiden en integreren.  B.: het is heel erg nodig zo iemand te hebben, omdat de toetreders vaak nog best een lange weg hebben te gaan en intensieve begeleiding nodig blijft. Toch komt dit er niet altijd voldoende van, dat blijft een verbeterpunt.

B. verlangt naar een kerk die het als haar essentie ziet om missionaire gemeente te zijn. Zijn preken en gemeenteopbouwwerk zijn daar nadrukkelijk op gericht. Om dit bewustzijn te bevorderen worden er mini-Alphacursussen gegeven in de huiskringen. Het doel daarvan is, dat de huiskringen zelf groeien in een missionaire houding. B. vindt het belangrijk te werken aan de missionaire uitstraling van de kerkdiensten, maar ziet toch het werk in de huiskringen als het eerste en meest effectieve middel om mensen van buiten de kerk te bereiken en te helpen groeien in geloof. Op dat niveau kunnen de gesprekken het best meer persoonlijk gericht zijn.

B. ziet meer missionair besef wel groeien in de gemeente maar toch slechts langzaam. Als er zich nieuwe gelovigen bij de kerk voegen, wordt hun proces toch nog vaak bemoeilijkt door het tekort aan missionair bewustzijn in de gemeente. Toch kan een meer missionaire houding pas echt groeien, als gemeenteleden zelf met toetreders in contact zijn. Daarom zijn de huiskringen het meest aangewezen niveau om dat contact te beoefenen.

 

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *